Blog Image

KLEINSCHEEPS

Duinhotel Burgh Haamstede

Honden, Schouwen-Duiveland Posted on Wed, September 11, 2019 12:30:17

Hieronder een stukje dat ik schreef naar aanleiding van een bezoek aan Het Duinhotel Burgh Haamstede in 2017. Wij overnachtten met een midweek arrangement in het gezelschap van – toen nog – ons hondje Doris. 

Als wij de benzinepomp bij Serooskerke gepasseerd zijn, controleren wij altijd even of op de dijk in de verte de Plompe Toren er nog staat. Hij heeft ons nog nooit in de steek gelaten. Trouw houdt hij in weer en wind de wacht over het verdwenen dorp Koudekerke.

Eigenlijk is de autorit vanaf hier naar het zweefvliegveld het mooiste gedeelte van onze midweek in Het Duinhotel, want alles moet nog beginnen.

Duinhotel Burgh Haamstede

Na de incheck bij de vriendelijke receptie brengen wij onze spullen naar de ruime kamer en ondernemen dan bij voorkeur direct, met ons hondje, onze eerste wandeling in het omringende natuurgebied. Het weidse uitzicht vanaf het hotel over het zweefvliegveld vraagt ons eropuit te trekken.

Onze eerste wandeling gaat steevast naar het Westen, langs de rand van het zweefvliegveld dat eigenlijk een soort van landschapspark is. Soms lopen we met de Zon aan onze linkerzijde, soms kleurt de avondhemel al rood als we op weg gaan. In de winter heerst de stilte over het reusachtige veld, in de zomer wordt verderop aan een lier zo nu en dan een zweefvliegtuig omhoog getrokken.

Aan het eind van het veld doorkruist het zandpad een gebied met ruige weilanden waarin oerrunderen tussen de struiken hun kostje bij elkaar scharrelen. Tuinen om jaloers op te zijn en bosjes duinvegetatie wisselen elkaar af. Het leidt ons uiteindelijk naar een stenen pad de duinen op. Als we over onze rechterschouder kijken zien we in de verte de vuurtoren, die we iedere keer wel zouden willen fotograferen, want het licht is steeds anders. De Vuurtoren van Schouwen is de vuurtoren die op het laatste biljet van 250 gulden staat afgebeeld. Het is echt een klassieke vuurtoren zoals je je een vuurtoren voorstelt. Hij werd gebouwd in 1837 en is samen met die van Ameland de hoogste van Nederland. Toen onze kinderen nog jong waren had mijn tweede dochter bij een van onze bezoeken aan dit gebied haar zinnen gezet op een legpuzzel van deze vuurtoren. Ze heeft hem indertijd twee keer gelegd en daarna hebben de stukjes in een doos liggen wachten op hergebruik. Op een regenachtige vakantiedag in 2016 heeft ze de puzzel opnieuw gemaakt en tot mijn grote vreugde dit jaar weer. Van internet kon ik een scan van een 250 gulden biljet downloaden die tot op posterformaat kon worden afgedrukt. Ik heb de afmetingen bescheiden gehouden en de vuurtoren hangt nu te pronken aan een muur in ons huis.  

Wat mij betreft het mooiste Nederlandse bankbiljet

Wij wandelen voort. Dan, bijna bovenop het duin, zien we door een laagte de zee. De zee trekt zo, dat hij iedere keer alle beslommeringen doet vergeten. Nog een paar stappen en we kijken uit over duin, hemel, strand en zee. Het gekke is dat dat ook weer iedere keer anders is. Wind en water werken het zeelandschap voortdurend om en ook hier is het licht iedere keer anders. En dan die wolken! Het verveelt nooit.

Wij slaan af in noordelijke richting tot aan het eerste strandpaviljoen waar we, als het even kan, iets drinken. Dan gaan we een van de duinpaden weer op langs een schitterend natuurgebied, de Verklikkerduinen. Deze duinen ontlenen hun naam aan een waarschuwingslicht voor de scheepvaart dat er stond opgesteld, de zogenaamde verklikker. De volgende geleerdheid heb ik van de site van het VVV. 

Paraboolduinen – Math is everywhere 😍

De Verklikkerduinen zijn “jonge“ duinen. In de middeleeuwen werd zand van bestaande duinen landinwaarts geblazen, zo ontstonden halfrond lopende duinen, de zogeheten paraboolduinen. De wind blies het zand tot aan het grondwater weg waardoor er natte duinvalleien vol bloemen ontstonden. 
Er zijn drie, goed onderhouden, natte duinvalleien; de buitenverklikker, de binnenverklikker en het konijnencircus.
De vorming van nieuwe jonge duinen houdt nog steeds aan en de valleien zijn nog steeds nat. Deze duinen zijn vooral rijk aan bloemen en zeldzame planten zoals het groenknolorchis met haar groene bloemen, de wit bloeiende parnassia en het lilabloeiende duizendguldenkruid. 
De vallei is erg gewild bij de konijnen, de salamanders en de libellen. 
Het konijnencircus is de bijnaam voor één van de valleien waarop de konijnen vroeger nog talrijker aanwezig waren. De ronde vorm doet denken aan een circuspiste en dit is een plek waar je deze diertjes nog steeds kunt aantreffen.


Het natuurgebied is afgesloten voor publiek. Je mag er alleen maar naar kijken, maar erin komen niet. We lopen het duin uit tot we bij de Torenweg zijn die ons terug leidt naar het Duinhotel. 

Omdat we een hondje bij ons hebben, eten we altijd op de hotelkamer en dat is voor het servicegerichte personeel geen enkel probleem.

Als het vroeg donker is, blijven we ‘s avonds in het gezellige hotel en bij zomerdag trekken we er na het eten nog op uit. 

Sommigen van onze collega’s gaan skeeleren in Amerika en anderen lopen de marathon van Sydney. Je hebt mensen die pas tevreden zijn als de kilometerteller van hun auto er in één vakantie tienduizend bij gedraaid heeft. Je kunt het zoeken in Voor-Azië of in Zuid-Soedan.

Maar wij vinden het gewoon hier: Burgh Haamstede.



Je verzint het niet

Honden Posted on Wed, September 11, 2019 08:42:08

’s Avonds rond tien uur is het uit met de pret, 

want dan gaat ons hondje Bommel naar zijn bed

Bommels bed is de bench in de slaapkamer. Wij houden niet van opsluiten, maar voorlopig gaat ’s nachts het deurtje van de bench wel  dicht. Bommels jeugdige onstuimigheid is van dien aard dat er anders voor ons van slapen ’s nachts niet veel terecht zou komen. Als hij vrij zou mogen rondlopen zou hij, zo gauw wij liggen, boven op ons springen. Boven op ons … zwiepend met zijn staartje en met een opgeruimde blik in de ogen, zo van: de komende uren ga ik stampen, hijgen, blaffen, bijten, rollen, dollen, rennen, draaien, scheten, springen, keren, lopen, dansen, vallen en weer opstaan. Dat verdraagt een ouder wordend echtpaar meestal wel overdag, maar zeker niet ’s nachts.

Ons vorig hondje Doris was na verloop van tijd zo volwassen dat ze rustig, zonder bench, op haar plaatsje ging liggen en lekker sliep tot de volgende ochtend. Wel kwam ze ’s nachts soms even controleren hoe het met ons ging. Als ik even wakker was gaf ik haar dan een aai over de bol en dan ging ze weer op haar kussen liggen. Slechts één keer had ik een bedenkelijke ervaring: ik werd wakker met de punt van een hondenneus tegen mijn mond aan, die waarschijnlijk open heeft gestaan, hetgeen Doris als een uitnodiging tot nader onderzoek heeft ervaren.

Terug naar Bommel. Maandagavond schoot hij vlak voor dat hij de bench in ging onder een stoel en kwam met twee sokjes in de bek er weer onder vandaan. Iets soortgelijks is al vaker gebeurd. Wij zijn met dit bedenkelijke verschijnsel min of meer vertrouwd. Onze vorige hond was ook een sokkenfetisjist en Bommel heeft in zijn korte leven al een waar talent ontwikkeld om bliksemsnel dit obscure object de desire te pakken te krijgen. 

Als Bommel iets echt wil, is hij eigenlijk altijd sneller dan wij. Wij lopen achter de feiten aan. Wel lukt het ons eigenlijk altijd om de sok of sokken weer uit de bek terug te toveren. Deze keer was Bommels behoudzucht groter dan onze toverkracht. Met een paar ferme slikbewegingen verdween het sokkenpaar in zijn slokdarm. 

Daar hadden wij niet van terug. Een slokje op, dat kennen wij, maar een sokje … Wij wisten niet wat te doen. Wij vroegen ons af of katoenen sokken zouden oplossen in hondenmaagzuur. Het maagzuur van Bommel moet wel van een vreselijke kwaliteit zijn, gezien de bedenkelijke zaken die regelmatig naar binnen gaan tijdens wandelingen in de buurt, door bos en door veld. Wij vroegen ons af of sokken voor maagpijn zouden gaan zorgen. Wij vroegen ons van alles af en wij wisten de antwoorden niet. Hondenmagen zijn sterk. Wij besloten maar af te wachten.

De volgende ochtend heb ik onze leuke dierenarts gebeld. Zij bood ons de volgende opties:

– Niets doen met de kans dat de sokken, of delen daarvan, van de maag naar de darmen zouden verhuizen. Dat laatste was misschien al gebeurd. Opstoppingen kunnen dan ontstaan, met een operatie als noodzakelijke consequentie.

– Bommel laten braken. Het beste is het om dat binnen anderhalf uur na inslikken te laten plaatsvinden, vóór doorverhuizing van de sokken naar de darmen. Maar ja, dat was niet gebeurd. Toch … wellicht dat de sokken de maag als semipermanent domicilie hadden gekozen en kon de anti-peristaltische beweging de oplossing zijn.

Voor mijn geestesoog doemde een scenario op waarin ik Bommel in huiselijke sfeer tot braken zou moeten bewegen door vinger in de keel of iets van dien aard, maar de dokter stelde me gerust. Daar waren tegenwoordig geciviliseerde methodes voor bedacht.

Bommel en ik spoedden ons naar de praktijk alwaar een spuitje in de nek het proces inleidde. Na enkele minuten zakte hij, in een voor ons speciaal gereed gemaakt kamertje, door de poten met een Hare Krishna blik in de ogen. Keurig wezen zijn vier lange stelten ieder een windrichting aan. Na enige innerlijke opstuwingen floepte de eerste sok er uit in een bedje van hondenbrokkenbraaksel. Deze keer was ik er supersnel bij om Bommel terug te trekken, want ik weet dat meneer het zonde vindt om etensresten weg te gooien. De vriendelijke stagiaire heeft behulpzaam de sok onder de kraan afgespoeld. Bommel was in een gulle bui en al snel kwam de tweede sok er achter aan, soortgelijk omhuld in een maaltijdsaus als de eerste. De dierenarts die even kwam kijken en de stagiaire en de assistente en ik putten ons uit in het geven van complimenten die door Bommel enigszins groggy werden ontvangen.

De dokter gaf een spuit om de werking van de eerste spuit te neutraliseren zodat Bommel weer mocht ophouden met braken. Dat was wel zo fijn. Op een lekker zacht kussentje mocht onze jonge vriend tot zich zelf komen na een bijzonder avontuur. De sokjes kreeg ik mee in een plastic draagtas voor in het Bommelmuseum, na wassing natuurlijk. 

Eenmaal weer thuis sjokte Bommel naar zijn mand om op zijn avonturen te reflecteren. Tegen twaalven liep hij naar zijn etensbak, waar vandaan hij me met een doordringende, niet mis te verstane, blik fixeerde. Op advies van onze leuke dierenarts heb ik hem eerst maar eens een klein hapje gegeven. In de loop van de middag volgden nog vele kleine hapjes, want op een lege maag kun je niet … stampen, hijgen, blaffen, bijten, rollen, dollen, rennen, draaien, scheten, springen, keren, lopen, dansen, vallen en weer opstaan.



Kamperen dichtbij een mastenbos

Schouwen-Duiveland Posted on Thu, August 29, 2019 14:07:31
Mastenbos bij Burghsluis

In de verte zien we hoog boven de dijk al fier de masten uit torenen van de zeilboten in de haven bij de geul die Hammen heet. Het zijn er zoveel dat het wel een mastenbos lijkt. We zijn op weg naar onze camping Kaap West en hebben bij Haamstede de afslag Burghsluis genomen. De oprit naar de dijk gaat langs een van de unieke inlagen in dit gebied, met op de achtergrond de Plompe Toren, laatste restant van Koudekerke, een van de vele verdwenen dorpen van Schouwen Duiveland. 

Bovenop de dijk schittert de Oosterschelde ons tegemoet. Ik kan het niet laten even te stoppen en te genieten van het vergezicht. Het is laag water en niet ver uit de kust ligt lui en log in de zomerse Zon een reusachtige zandbank, waar ooit het eiland Orisant tevergeefs vocht voor zijn voorbestaan. Rechts van ons pronkt de Stormvloedkering, icoon van het technisch vernuft waarmee de Nederlandse ingenieurs dit gebied helpen voortbestaan. Met de ogen bijna dicht meen ik in het oosten de Zeelandbrug waar te nemen.

We rijden verder en na het passeren van de gezellige maritieme drukte van het haventje duikt de weg weer omlaag. Het duurt nu nog maar even voordat we camping Kaap West zien opduiken tussen de akkers. Deze minicamping is voor ons een internetontdekking en het is altijd spannend hoe het er zal zijn. Van de website:

Van de website

Het adres is Cauersweg 10, Burgh-Haamstede. Op onderstaande kaart kijkend zou je Burghsluis verwachten, maar Burgh-Haamstede is waarschijnlijk ook een aanduiding voor het hele gebied. Dertig jaar geleden is Cauersweg, die begint in Westenschouwen, doorsneden door de N57 naar De Stormvloedkering. Je kunt dus niet direct vanaf de camping langs de Cauersweg via Westenschouwen naar Burgh-Haamstede, maar je moet daarvoor eerst een viaduct onder de N57 door nemen, dat dicht bij de Oosterscheldedijk ligt. Ook hier is geschiedenis in het landschap besloten.

Het gebied Burgh-Haamstede

Wat we bij binnenkomst aantreffen is een goed onderhouden, gezellig ogende, groene, kleinschalige camping. Op de ons toegewezen plek beginnen wij halverwege de middag met datgene wat voor mij altijd al het voorlopig hoogtepunt van de vakantie is: het opbouwen van de Hypercamp bungalowtent. Sinds 1998 is hij onze trouwe metgezel op kampeervakanties. Het is direct na aankomst even doorwerken, maar dan hebben we ook ons huisje voor de komende week of weken. In al die jaren hebben we er maar één keer een reparatie aan hoeven laten uitvoeren. 

Ik weet nog wel dat de eerste keer na aankoop de opbouw een praktische en intellectuele uitdaging was. Ik heb het er toen maar niet op aan laten komen en de zak met het metalen frame uitgestort op het grasveld voor ons huis. Rustig heb ik alles uitgezocht en in elkaar geknutseld. Beter goed voorbereid op vakantie dan ter plekke bij aankomst op de vakantiebestemming alles nog uit te moeten zoeken. 

De bijgeleverde instructie ziet er zo uit. Overbodig te vermelden dat een dergelijke summiere handleiding ruimte laat voor zelfstandig onderzoek bij het voor de eerste keer opbouwen. Maar gaandeweg weet je precies wat je moet doen. De vaardigheid van het opbouwen van de tent is metterwoon ingesleten en een gezinsaangelegenheid geworden. We zijn goed op elkaar ingespeeld. 

Eerst is er een veldje …

Van het frame moet je de onderste stokken er in eerste instantie nog niet aan doen. Eerst spreiden we het tentdoek over het dakframe. Het schuiven van het tentzeil lukt beter als het frame nog laag is en het bevestigen van de onderste stokken gaat vervolgens makkelijker omdat door het tentdoek het geheel stabieler is geworden. 

Ons jonge hondje Bommel heeft de opbouw in opperste staat van verbazing gade geslagen. Eerst heb je alleen een grasveldje en opeens heb je een huisje, lijkt hij te denken. Met name het plaatsen van de onderste stokken, waardoor het dak ineens een meter omhoog gaat, doet hem van verbijstering terug deinzen. 

Bommel slaat het geheel bezorgd gade ….

Als de haringen nog niet zijn geslagen heeft hij, met omlaag hangend staartje, een poos de open ruimte in staan staren, zo nu en dan piepend en voorzichtig een blafje naar binnen werpend. De wind waait de nog losse zijflappen op en dat vindt Bommel maar onrustig. Hij kijkt met een scheef hoofdje naar de flappen alsof het een aanstormend gevaar is. Uiteindelijk wendt hij zich af en neemt tijd voor een time-out.

Na het opzetten van de constructie volgt er een twee uur durend afwerkingsproces dat bestaat uit het vastmaken van de tent aan het frame, het ophangen van de binnen tenten en het slaan van een veertigtal haringen. Buren komen een praatje maken en velen zijn ervaren kampeerders. Tussen het slaan van de haringen door wisselen wij   kampeerdersverhalen uit. Als rondom de tent een gordijn van scheerlijnen een gevoel van voldoende stevigte geeft, stop ik ermee. Met onverhulde trots kijk ik naar het geheel. Zo heb ik meteen de eerste dag van de vakantie al een leuke middag!



Te voet van Zierikzee naar Bruinisse

Schouwen-Duiveland Posted on Wed, August 14, 2019 19:48:12

In restaurant Grevelingen drink ik rond tien uur ’s ochtends op het terras aan het MASTGAT nog even een kop koffie voordat ik Schouwen-Duiveland binnen rijd. De weidse blik verveelt geen seconde. Ik vraag me af waarom het niet tsjokkevol zit op een terras met zo’n schitterend uitzicht.

Het MASTGAT doet zijn naam eer aan want overal zijn masten te zien: van zeilboten, van staken in het water en van elektriciteit-molens. Waar hier de staken voor dienen weet ik niet. Op sommige plekken in Zeeland schijnen ze te worden gebruikt als terreinafbakening voor de mosselvissers en in de buurt van Bergen op Zoom staan ze er voor de vangst van ansjovis. 

Ik heb een wandeling van bijna twintig kilometer gepland over de dijk langs de oostrand van Duiveland. Deze kant van het eiland ken ik niet.  Onze vakanties en midweeks brengen we meestal aan de duinkant door. 

De auto laat ik achter op parkeerterrein Havenpoort in Zierikzee. Dat ligt aan het Groene Weegje, dat meer een weg dan een weegje blijkt te zijn. Met uitzicht op veel groen, dat weer wel. Gemakkelijk te vinden, vlakbij bij de witte graansilo aan de Zuidoost kant van Zierikzee.

Via de Julianastraat wandel ik naar de N256 die gelukkig ook een echte naam heeft: Weg naar de Val. Waar zou die naam vandaan komen? De ventweg leidt mij, via Het Stille Strand, naar de Gouweveerse Zeedijk. Alleen al door dit soort namen kan mijn dag niet meer stuk.

Ik kom op een geasfalteerd fietspad, dat een behoorlijke conflictlijn lijkt te zijn. Meeuwen pikken krabbetjes en allerlei schelpdieren uit het water en vliegen daarmee naar grote hoogte. Daar laten ze hun prooi uit hun snavel vallen zodat die te pletter slaat op het fietspad. Ze duiken vervolgens omlaag om de schalen leeg te peuzelen. De restanten blijven achter als een ruige herinnering aan jachtig maal.

Aan de westzijde wordt mijn uitzicht begrensd door de Zeelandbrug waarvan de bogen fel worden verlicht door de Zon. Hij lijkt zuidwaarts te wijzen naar de Goese telecommunicatietoren die fier uit de horizon omhoog prikt. Aan de bouw ervan is begonnen in 1955. Daarmee is de toren een leeftijdsgenoot van me, ook al was de officiële opening pas op 10 december 1957. 

De slikken bij het Stille Strand vormen kwetsbaar natuurgebied en mogen niet betreden worden. In de vegetatie meen ik zelfs zeekraal te herkennen. Waar een soort pier de Oosterschelde in steekt, bij de overgang van de Gouweveerse Zeedijk naar de Nieuwendijk, neem ik plaats op een bankje om onder het rustgevend suizen van de bladen van een elektriciteit-molen twee meegebrachte boterhammen op te peuzelen. 

Met een blik op de kaart vraag ik me af of de pier een stuk voormalige zeedijk is. De dijk die er op aansluit heet immers Nieuwendijk en de pier lijkt samen met zijn broertje een paar honderd meter verder op een stuk verloren gegaan land te omklemmen. Er zijn in dit gebied bij Ouwerkerk tijdens de ramp van 1953 maar liefst drie dijkdoorbraken geweest en de geschiedenis staat in het landschap gekerfd. 

Ik volg de kaarsrechte Nieuwendijk aan de zeekant naar de volgende bocht, waar achter de inlaag de Weg van de Buitenlandse Pers loopt. Het is hier drukker, want de Weg van de Buitenlandse Pers voert naar het Watersnoodmuseum, dat ik een andere keer hoop te bezoeken, want een wandeltocht van twintig kilometer is wel genoeg inspanning voor vandaag. 

Er is een uitkijkpost boven op de dijk gebouwd van waaruit men het binnendijkse land, of wat daar kort bij de dijk van over is, kan aanschouwen. Ik raak aan de praat met de vader van een gezin dat daar ook staat te kijken. We roemen de schoonheid van het eiland en de omringende wateren. “Op Schouwen-Duiveland kom ik steeds weer terug,” zegt de vader. 

Nou, ik ook dus.

Het museum heeft langs de dijk een cursus dijkbescherming aangelegd. Allerlei manieren om met stenen de dijk te versterken worden getoond. Bij weer een volgende bocht vormt een exhibitie van het Muraltmuurtje de afsluiting. Een eeuw geleden bedacht, na de stormvloed van 1906, Jonkheer Ingenieur de Muralt dat dijkverhoging met een betonnen muurtje van een meter een goedkope en uitvoerbare versterking zou zijn. Zijn idee werd op grote schaal toegepast en in die tijd leek het een zinvolle noviteit. De ramp van 1953 maakte er korte metten mee, helaas. In de Kroniek van het Land van de Zeemeermin is in 1982 een mooie studie verschenen over de Muraltmuur.  

Door alles wat er landinwaarts te zien is, zou ik haast vergeten naar het Oosten te kijken. Als de wandeling vordert zijn steeds andere (schier-) eilanden te zien. Noord-Beveland, Zuid-Beveland, Tholen en straks Sint-Philipsland. Wat lijken op afstand de dijken laag achter de watermassa ’s! Aan de horizon is ondertussen het eiland Tholen verschenen.

Na een tijdje moet ik Tholen helaas laten voor wat het is, want het landschap laat alweer zijn volgende verrassing zien. Ooit lag hier het dorpje Viane. Op de plek van dit verdwenen dorpje staat nu één prachtige villa die in de plaats gekomen is van een huis dat jarenlang een maritiem museum is geweest.

De afbraak van het huis wordt betreurd door liefhebbers van industrieel erfgoed. Dat begrijp ik wel, maar wat er voor in de plaats gekomen is, is ook mooi. 

Over het verleden van Viane is best veel op internet te vinden en dat maakt de wandeling nog leuker. Ooit had Viane een haventje en een veerdienst. Onder andere de post kwam op dit punt het eiland binnen. Landinwaarts ligt het gebouw van het voormalige stoomgemaal Viane, dat water uit het achterland pompte naar een spuikom, die nog in het landschap traceerbaar is. Dit gemaal is verbouwd tot woonhuis en de eigenaar wil er gaan wonen. Daarmee is het aantal bewoonde huizen van Viane met 100% gestegen! 

De buitendijkse weg heet hier ook Viane en die volg ik tot ik naar de binnendijkse weg verwezen wordt, omdat de zeekant beschermd natuurgebied is. Binnendijks heet het Oostersteijnweg. Weer zo’n mooie naam. Na verloop van tijd zijg ik neder aan een picknicktafel en al gauw krijg ik gezelschap van een ruwharige veldonderzoeker die zojuist tellingen op de schorren heeft verricht. Hij telt zeegras. 

De enthousiaste bioloog vertelt me dat zeegras eigenlijk een landplant is die zich aan het onderzeese leven heeft aangepast. Veel eigenschappen van landplanten zijn behouden. Hij heeft echte wortels, bloemen, pollen en zaden. In de zeebodem zit het giftige waterstofsulfide en om dat te bestrijden transporteert zeegras een gedeelte van de aangemaakte zuurstof naar de wortels. Hierdoor ontstaat een soort aarde. Dat leer ik toch maar weer mooi, daar aan het MASTGAT. Ik zeg hem dat ik jaloers ben op zijn werkzaamheden, want het is het mooiste weer van de wereld. Wij eten onze boterhammen en keuvelen zo’n beetje over de noodzaak dit prachtige landschap in stand te houden en dus te bewaken. Nadat wij als goede bekenden weer uit elkaar zijn gegaan ontdek ik dat ik gelukkig weer buitendijks kan gaan lopen en ontwaar vervolgens de contouren van Sint Philipsland. Het wandelen begint nu taai te worden want de zon brandt en ik heb er al vijftien kilometer opzitten. Gelukkig heb ik voldoende water bij me. Ik draag uitstekende wandelschoenen en zo te voelen heb ik geen blaren.

Bruinisse bereik ik via het vlekje Zijpe, waar vroeger de veerboot naar Sint Philipsland aanmeerde. De oude sfeer hangt er nog. Het oude veerhuis is nu een brasserie. Ik neem het wandelpad langs de Rijksstraatweg en al gauw zie ik bordjes die mij naar het busstation leiden. Daar eindigt mijn mooie wandeling. 

De bus brengt me in twintig minuten terug naar Zierikzee.

In restaurant Greveling drink ik nog een kop koffie en dan rijd ik weer op huis aan.



Medewerker van Het Ministerie voor Rare Loopjes

Honden Posted on Wed, June 26, 2019 15:39:44

Ooit dichtte Annie M.G. Schmidt voor de serie Ja zuster, Nee zuster:

Elisa had een hond,
Die ze uit moest laten
Ze liep met hem een singeltje rond
Hij trok haar door de straten
Elisa had hem aan de lijn
De hond was groot en zij was klein

En Bello trok haar mee, hij holde door de laan
Bello, Bello, Bello, niet zo trekken asjeblieft
Bello, Bello, Bello, blijf toch staan

Zou de schrijfster niet echt een liefhebster van honden zijn geweest? Eén van de laatste regels van het lied is immers: Dat heb je met zo’n hond, jajaja, zo’n hond is niks gedaan, neeneenee. Misschien heeft ze wel eens een hondje geprobeerd en is dat trekken aan de lijn haar behoorlijk tegen gevallen?

Bommel trekt aan de lijn, maar omdat hij nog maar een pup is, is dat nog niet zo hinderlijk. Het ziet er evenwel naar uit dat hij een sterke hond gaat worden en dan gaat het trekken natuurlijk steeds lastiger en vervelender worden.

Op de puppycursus krijgen we training om de hond af te leren aan de riem te trekken. In de literatuur was ik al de trekken = stoppen methode tegen gekomen. Zo gauw er spanning op de riem komt, sta je stil. De hond leert dat trekken aan de riem stilstand betekent, net als wanneer hij aan een paal vast gebonden zou staan. Je moet dan wachten tot de hond naar je kijkt. Die blik komt over het algemeen vanzelf, want de hond wil altijd graag weten wat de baas wil. De hond zal uit zichzelf vaak een stapje naar je toe doen. Je beloont dat vervolgens met een hondensnoepje.

Een variant hierop oefenden we uitgebreid op onze leuke puppytraining. Hoe eerder je hiermee begint, hoe beter. Die gaat als volgt: Zo gauw er spanning op de riem komt, verander je van richting en loop je de tegengestelde kant op. Dit moet je met ijzingwekkende consequentheid herhalen. De hondentrainster waarschuwde ons: als je een keer haast hebt en je staat het trekken toch toe, met misschien in gedachten een keertje is niet zo erg, dan is al het voorgaande werk voor niets geweest. Een hond is namelijk een opportunist en als hij het idee krijgt dat trekken de moeite waard zou kunnen zijn, omdat je er soms wel en soms aan toe geeft, dan zal hij het iedere keer proberen. Trekken moet nooit iets opleveren. Als Bommel met me mee loopt zonder spanning op de riem, krijgt hij een snoepje. Trekken brengt hem niet waar hij wil. Gewoon meelopen levert iets op. Zo zou ik dan de leiding over Bommel ‘s loopgedrag krijgen, maar ik heb nog een lange weg te gaan.

Wandelen met Bommel doet een beetje denken aan het kinderliedje Naar voren, naar achter, van links naar rechts. Laatst passeerde ik een tuin waar een buurman na gedane arbeid lekker zat te rusten.

Ik: “Goedenavond, buurman.”
Buurman: “Ook goedenavond.”

Verder lopend wordt ik door gemeentegroen aan het oog van buurman onttrokken en op dat moment zet Bommel de vaart erin naar een poes verderop. Ik keer van richting en passeer, in de achteruitversnelling, opnieuw de rustende buurman.

Buurman: “Hé, daar hebben we buurman weer.”
Ik: “Nogmaals goedenavond.”

Bommel kijkt me aan en ik geef hem een aai.
Wij gaan weer vooruit, maar wat mij betreft iets te veel in volle vaart, want terwijl de poes de struiken in is gedoken heeft vervolgens een voorbij fietsend jongetje de aandacht van Bommel. Ik verander andermaal van richting en wij lopen achterstevoren op nieuw het blikveld van buurman / observator binnen.

Buurman: “Had ik U al eens eerder gezien?”
Ik: En ik kan U niet garanderen, dat dit de laatste keer zal zijn.”
Buurman: “Wellicht tot ziens.”
Ik: “U insgelijks.”

Bommel kijkt me aan en ik geef hem een aai over zijn rug.
Wij gaan weer vooruit, maar ondertussen heeft de poes van daarnet plagerig midden op de weg plaats genomen met alle accelereerde effecten op Bommel van dien.
Ten vierden male passeren wij achterwaarts de buurman.

“Ik zeg niks meer,” bromt deze.

Na verloop van tijd merk je dat deze methode wel degelijk gaat werken. Het is een manier die zijn effectiviteit in de praktijk heeft bewezen. Maar voorlopig voel ik mij wel een medewerker van Het Ministerie voor Rare Loopjes.



Het koffertje stond altijd klaar

Schouwen-Duiveland Posted on Sat, June 01, 2019 18:57:15

“Het koffertje staat nog altijd klaar,” zegt de boer als antwoord op mijn vraag of hij nog wel eens terug denkt aan de watersnood van 1953.

Het komt door mijn jeugdige onbenulligheid dat ik die vraag zo maar durf te stellen, want had ik beter nagedacht dan had ik zelf wel kunnen bedenken dat het meemaken van zoiets ingrijpends als de overstroming natuurlijk nooit meer echt uit je gedachten weg gaat. Maar hij neemt het me niet kwalijk, blij misschien dat hij het er over kan hebben.

“Het koffertje staat nog altijd klaar,” herhaalt hij. Hij kijkt mij aan en knikt.
“Voor als het weer gebeurt? Met de belangrijke papieren en zo?”
“Ja en met een paar flessen water.”
Ik schiet in de lach. Flessen water klaar zetten voor als het water weer komt klinkt zo mal in mijn puberoren.

Het is zomer 1971 en mijn vader heeft een vakantiebaantje voor me weten te regelen bij zaadhandel Van der Have. Ik heb het daar reuze naar mijn zin. Het werk bestaat erin dat ik voor selectiewerk in een team met drie andere arbeiders naar boerderijen in voornamelijk Zuidwest Nederland wordt gestuurd. Wij werken bij boeren die een gedeelte van hun land besteden aan de verbouw van graszaad. Ik heb me tot dan toe niet gerealiseerd wat een reusachtige bedrijfstak de graszaadteelt is. Weilanden moeten ingezaaid zijn met gras van speciale kwaliteit om tot een zo groot mogelijke melk- en vleesproductie te leiden. Maar voetbalvelden vereisen weer heel ander gras dat weer sterk verschilt van het gras in gazons. In de graszaadvelden mag geen vervuiling met verkeerde grassen voorkomen.

Op een van mijn eerste bedrijfsbezoeken beland ik op een hoeve in de buurt van Elkerzee. Wij zijn rond halfacht vertrokken en via de nog niet zo lang geleden geopende Zeelandbrug hebben we ons doel in een klein uurtje bereikt. Dat is makkelijk verdienen voor een scholier, zo op de achterbank van een auto!

In gezelschap van de boer en de drie landarbeiders sjok ik even later door het immense graszaadveld met een sikkel in mijn rechter hand en een juten zak om mijn middel voor het verzamelen van foute grashalmen. Om me heen ligt de schitterende uitgestrektheid van het Schouwse akkerland. Het valt me dan al op, kan ik me herinneren, dat Schouws licht anders is dan Zuid-Bevelands licht. Voor de ervaring van licht maakt het een groot verschil of je je bevindt tussen de boomgaarden rond Kapelle of in de Schouwse klei met aan de einder hier en daar een boomdijk.

“Het stormde ongenadig die nacht,” vertelt de boer. Ik woonde met mijn broer en mijn ouders op die hoeve daar. Ergens in de nacht zijn mijn broer en ik ons bed uit gegaan om naar het dorp te lopen voor het onderzoeken van de toestand. Wees voorzichtig riep mijn moeder nog. We werden door de Noordooster wind bijna over de weg geblazen. We hadden er weinig over te vertellen. Ineens zagen we in de verte een witte streep op ons afkomen. We waren verbaasd, want we snapten niet wat we zagen. Plotseling begrepen we dat het zeewater moest zijn dat kolkend op ons af kwam. We vluchtten naar een boerderij verderop en bonkten op de deur. Die mensen lieten ons binnen en we zijn op de bovenverdieping gaan zitten. Toen de vloedgolf tegen het huis op botste schudde het op zijn grondvesten. Met die daverende klap kwam ook het inzicht dat het echt helemaal fout zat. Ik dacht in paniek aan mijn ouders die we hadden achter gelaten. Het boerenhuis waar wij in zaten was stevig gebouwd, maar het huis van mijn ouders had eensteens muren en was dus veel zwakker. De klap was formidabel geweest. Er zat niets anders op dan de dag af te wachten. Dat hebben we gedaan. We keken toen het licht werd uit het zolderraam en om ons heen was niets anders dan zee met in de verte hier een daar een huis en een bomendijk. We bedachten allerlei manier om weg te komen, maar het water was wild en we durfden niet. Huiverend van de kou hebben we gewacht op hulp die alsmaar niet kwam. Langzaam begon de dorst. We hadden niets te drinken en rondom was alleen zout water. De regenput was daar natuurlijk ook door vervuild. Toen werd het weer nacht.”

“Vandaar die flessen water in uw vluchtkoffertje,” zeg ik.
De boer knikt.
“Pas maandag in de loop van de dag kwamen militairen langs gevaren die ons uit de ellende haalden. Ik smeekte om water. Water, wat is dat een goddelijke drank.”
“En uw ouders?”
“Onze boerderij was ingestort en hun lichamen zijn door de zee mee genomen. Ze zijn nooit terug gevonden.”



Lassie come home

Honden Posted on Fri, May 31, 2019 16:01:20

Aanleiding
Als wij dertien jaar geleden onze eerste gezinshond aanschaffen kan ik niet bevroeden hoe diep de band is die kan ontstaan tussen hond en gezin. Een half jaar na het overlijden van Doris heeft Bommel zijn intrede gedaan in ons huis en nu sta ik daar anders in. Ik help de hond opvoeden met die bijzondere symbiose in gedachten. Onder andere door lezen in de overweldigende literatuur, die over honden is geschreven, verdiep ik me in dit boeiende onderwerp.


In de jaren zestig is de hond Lassie, met name door de televisieserie, razend populair. Het oorspronkelijke boek, Lassie come home van de Engels Amerikaanse schrijver Eric Knight waar de serie een afgeleide van is, heb ik eerder nooit gelezen. Enkele weken geleden vind ik het tijd worden daar verandering in te brengen. Bij de plaatselijke bibliotheek is het niet zo maar te krijgen. Het moet gereserveerd worden en als ik het na enkele dagen kan ophalen zie ik dat het uit de provinciale bibliotheek in Arnhem komt. Deze uitgave van de Disney boekenclub uit 1985 wordt blijkbaar niet meer vaak uitgeleend.

Dat is jammer, want het is een hartverwarmend verhaal over de loyaliteit van een hond aan zijn familie. Het boek is sinds 1940 uitgebracht in tal van verschillende talen en edities.

Eric Knight vertelt ons een verhaal over vriendschap, loyaliteit en grote liefde tussen hond en mens. De jongen Joe is zoon van een mijnwerker en de collie Lassie is zijn beste vriend. Als het even kan spelen ze samen, maar hun geluk wordt hard verstoord als Lassie moet worden verkocht.

Het verdriet van de jongen wordt versterkt door de gebrekkige verbale communicatie van zijn ouders. Zij voelen de zelfde pijn als de jongen, maar willen daar niet voor uit komen. Zij proberen steeds het probleem van het verlies van de hond te rationaliseren door te zeggen dat ze het geld nu eenmaal hard nodig hebben. Dat is ook wel zo, maar daar wordt de pijn van de jongen niet minder van. Die stugge ouderlijke communicatie is knap met het verhaal verweven. Overigens is de non-verbale communicatie van vader met de hond van een veel hoger niveau.

Lassie en Joe kunnen zich niet met de scheiding verenigen en er begint meteen een gevecht om zich weer te herenigen. Hun wapens en winnende factoren in die strijd zijn loyaliteit, moed, doorzettingsvermogen, trouw en een enorme hoeveelheid liefde.

Samenvatting
In het Engelse Yorkshire County, in het dorp Greenall Bridge, woont het mijnwerkersgezin van Sam Butt (Sam Carraclough), dat bestaat uit vader, moeder en zoon Joe. (In de oorspronkelijke versie heet vader Sam Carraclough, maar in de vertaling die ik gelezen heb heet hij Sam Butt). Joe besteedt al zijn vrije tijd aan het spelen met zijn hond, een collie die Lassie heet. Ze worden onafscheidelijk en Lassie wacht elke dag om vier uur ’s middags voor school op Joe zodat ze met hem naar huis kan lopen. Hun vriendschap is sterk en onbreekbaar.

Door de crisis raakt Sam zijn werk in de mijn kwijt en moet het gezin leven van een uitkering. Het is armoetroef en vader voelt zich gedwongen om Lassie te verkopen aan de oude en rijke graaf van Rudling. De graaf wordt neergezet als een vlerk van een edelman, die iedereen afsnauwt en eigenlijk alleen een min of meer menselijk contact heeft met zijn kleindochter Priscilla. Hondenoppasser Hynes krijgt opdracht om goed voor de Lassie te zorgen. De graaf wil met Lassie naar tentoonstellingen.

Lassie kan zich niet aanpassen aan haar nieuwe leven in een kennel. Ze blijft verdrietig en begint eten te weigeren. De drang om terug te keren naar haar oude huis wordt enorm, met name om vier uur ’s middags als ze gewend is Joe op te halen uit school. Ze maakt van de eerste gelegenheid gebruik om weg te lopen. Joe is vol vreugde als hij bij het uitgaan van de school Lassie weer ziet. Joe neemt Lassie mee naar huis, maar zijn ouders proberen hem aan het verstand te brengen dat dit niet kan. Ze hebben immers veel geld gekregen voor de hond en kunnen daardoor de hond niet houden. De als miezerige kerel neergezet hondenoppasser Hynes weet precies waar hij zijn moet als hij de hond aan het zoeken is, en neemt Lassie weer mee terug naar de kennel van de graaf.

Lassie blijft ongelukkig en blijft weglopen. Akelige Hynes neemt steeds drastischer maatregelen om Lassie op het landgoed te houden. Hij verhoogt het hek een aantal malen, maar Lassie springt over de hindernis heen en rent weer weg, terug naar Joe. Joe besluit om met Lassie van huis weg te lopen, dus gaan ze naar een nabijgelegen schuilplek, maar vader vindt hen snel en geeft Joe een uitbrander. Joe moet terug naar huis en Lassie gaat terug naar het landgoed van de grove graaf Rudland.

Op een dag vertelt vader Joe over de beslissing van de graaf om Lassie mee te nemen naar zijn landgoed in Schotland. Ook hier gedijt Lassie niet. Minkukel Hynes bindt haar vast om te voorkomen dat ze vlucht. Priscilla en haar grootvader worden hier erg boos over en geven Hynes de opdracht om elke dag met Lassie te gaan wandelen. Op zo’n wandeling maakt Lassie van de gelegenheid gebruik om weg te rennen. Zij weet met haar instinct feilloos de juiste richting naar huis op te gaan.

Op weg naar huis beleeft ze gevaarlijke avonturen. Ze redt zichzelf van een groot onweer door zich te verstoppen in een grot. Na vier dagen raakt ze uitgeput van de honger, waardoor ze haar oerinstinct van de jacht weer tot ontwikkeling moet brengen. Een passerende wezel heeft pech. Het dode konijn dat hij bij zich heeft verwisselt van eigenaar en Lassie heeft weer iets te smikkelen.

In de streek die Lassie passeert is onrust over hondsdolheid en zwerfhonden moeten worden gevangen. Twee hondenmeppers nemen Lassie beet en zij raakt gewond. Een van de leuke kanten van het boek is dat de schrijver van ieder deel-avontuur gebruikmaakt om aardige karakters en scenes neer te zetten. Veel hoofdstukken zouden ook als kort verhaal kunnen worden gepubliceerd. Zo komt ze bij een ontsnappingspoging terecht in een rechtszaal waar de rechter, als gevolg van het tumult dat dit veroorzaakt, zich gedwongen voelt de zaak te verdagen.

Ze slaagt er opnieuw in te ontsnappen en vindt haar weg naar de rivier, die een natuurlijke grens tussen Engeland en Schotland vormt. Ze steekt de rivier met succes over, maar na enige tijd stort ze in, uitgeput en zwak. Een ouder echtpaar, Daniel en Dally Fadden, vindt haar. Dit echtpaar wordt door de schrijver neergezet met veel begrip voor de kommervolle omstandigheden waaronder een groot deel van het volk leeft in de jaren dertig. Daniel en Dally hebben hun zoon verloren, toen die als soldaat sneuvelde in de eerste wereldoorlog. Ze moeten leven van een karig pensioentje in een klein afgelegen huisje. Ondanks hun beperkte middelen nemen ze Lassie mee naar hun huis en bieden haar onderdak en eten. Ze besluiten haar te adopteren. Met name de vrouw is erg in haar nopjes met Lassie. Ook al voelt Lassie zich dankbaar, de allesoverheersende drang om terug te gaan naar haar geboortegrond zorgt er voor dat ze steeds krabt aan de deur en onrustig heen en weer loopt. Uiteindelijk begrijpt Dally deze signalen en laat haar gaan.

Een mooi verhaal is ook Lassie’s verblijf bij de marskramer Rowley Palmer. Als Lassie weer op weg is, trekt ze een tijdlang met hem op. Rowley handelt in potten en organiseert circusvoorstellinkjes met zijn eigen hondje. Omdat ook hij op weg is naar het zuiden is het voordelig voor Lassie zich bij hem aan te sluiten, want Rowley geeft hem te eten. Enkele meters achter de woonwagen sjokt Lassie mee. De bijzondere reisgenoten worden overvallen door twee zwervers en het hondje van Rowley komt om bij het gevecht dat ontstaat. Lassie ontpopt zich tot felle vechthond en de bandieten slaan, bloedend uit hun wonden, op de vlucht

Lassie redt dus Rowley, maar wil toch niet bij hem blijven. Op een kruispunt van wegen geeft hij aan naar het Zuiden te willen gaan.

Dan komt de winter en alles wordt bedekt met sneeuw. De uitgeputte Lassie krijgt longontsteking maar slaagt er op de een of andere manier in om voor Joe’s school aan te komen. Lassie is uiteindelijk terug thuis na een reis van duizenden kilometers. Ze is meer dood dan levend. Een bonk van een werkeloze mijnwerker helpt Joe om Lassie naar huis te brengen.

De hele familie is blij dat ze terug is. Lassie’s gezondheid herstelt snel. De vreugde wordt getemperd door de vrees dat de graaf Lassie weer zal opeisen. Gelukkig is er een oplossing. De graaf wil inderdaad Lassie terug, maar hij neemt ook Joe’s vader in dienst als hondenoppasser. Hij blijkt uiteindelijk zo verstandig te zijn geweest zich van Hynes te ontdoen.

Het gezin mag zelfs op het terrein van de graaf komen wonen. Zo vindt het verhaal een hartverwarmend einde te midden van de bittere kou van het winterse Yorkshire County.



Zeebiologisch sightseeing

Schouwen-Duiveland Posted on Mon, May 27, 2019 15:54:54

Ooit organiseerde ik voor 105 derdeklassers van mijn school een werkweek “Zeeland”, waarin uiteraard ook een uitgebreid bezoek aan mijn geliefde Schouwen-Duiveland op programma stond. De inhoud van het programmaonderdeel was Zeebiologie. Ik wilde onze leerlingen met verschillende aspecten hiervan laten kennismaken en ik had de hulp ingeroepen van Stichting Veldstudie, die een steunpunt in Serooskerke heeft.

Ons gezelschap was maar liefst 105 derdeklassers groot. Over de logistiek van de operatie moest dus van te voren grondig worden nagedacht. Over de uitvoering kan ik trots zeggen dat die wonderwel geslaagd is.

Wie van Zierikzee naar Haamstede rijdt komt door uitgestrekte wetlands. Ooit werd hier veeteelt beoefend, maar – zo is mij verteld – via zandruggen in de ondergrond dringt zout water vanuit de Oosterschelde het land binnen waardoor verzilting plaatsvindt. Omdat als gevolg daarvan de grond aan kwaliteit inboet en om een tegenwicht te bieden tegen industrialisatie en woonbebouwing elders werd hier natuurgebied aangelegd. Het heet Plan Prunje en het is een bezoek meer dan waard. Als ik er bij mistig weer in November door heen rijd voel ik een sfeer zoals bij het lezen van Wuthering Heights, alleen dan nu in de laagte. Woeste laagten. Plan Prunje was een van de drie onderdelen van onze schoolreis.

Vijf eeuwen geleden lag de zeedijk van Schouwen nog ruim drie kilometer zuidelijker in de Oosterschelde. In dit Zuidland lagen veertien zeer welvarende dorpen. Ter hoogte van waar nu de Plompe Toren staat, lag het dorp Koudekerke. De bewoners van de streek waren zich bewust van de kwetsbaarheid van hun dijken en legden landinwaarts een tweede dijk aan. Het gebied tussen twee dijken in heette inlaag. In dit gebied werd nog wel landbouw en veeteelt beoefend, maar er werd niet meer gewoond. De gebouwen die er stonden werden steen voor steen en plank voor plank afgebroken, om elders weer te worden opgebouwd. Zo verdween Koudekerke. Alleen de toren bleef staan als baken voor de scheepvaart. Bij laag water konden leerlingen hier voor de kust prachtig bodemonderzoek doen en zeehondjes kijken, hadden we bedacht. Bij hoog water was altijd nog het beklimmen van de toren een attractie.

Het derde onderdeel van de veldstudiedag was vissen met een sleepnet bij het strand van het zevende kunstwerk der Deltawerken, de Brouwersdam. Het leuke van de Brouwersdam is dat er een weg aan de zeezijde ligt. Niet alleen een weg, maar ook parkeerplaatsen en strand. Er is altijd heel veel levendigheid. Onze leerlingen zouden hun werkzaamheden dan ook gaan doen te midden van surfers, vliegers, frisbies, vissers, beach volleyballers en bikini’s.


Wij hadden 105 leerlingen opgesplitst in drie groepen van 35. Het programma was gedeeld met de busmaatschappij en de chauffeurs hadden er van te voren goede notie van genomen.


Door middel van een uitgekiend circulatieplan zouden de drie groepen door twee bussen van de ene activiteit naar de andere gereden worden. Hetgeen geschiedde. De chauffeurs pikten het plan moeiteloos op. In Plan Prunje moest ik nog wel een keer de bus uit, om, gadegeslagen door 60 leerlingen, een schaap opzij te manoeuvreren die de doorgang van de bus belemmerde. Er viel natuurlijk weer niet mee te praten en enig duw en trek werk van mijn kant was noodzakelijk. Onder het zingen van een protestsong koos het schaap eieren voor haar geld. De bus kon door. Ik wist niet dat ik het in me had. Kan zoiets nou ook op LinkedIn in een vaardighedenlijstje?

De dag was niet in de laatste plaats een succes door de gemoedelijke wijze waarop onze leerlingen met dit zeebiologisch sightseeing omgingen.



Next »