Ooit dichtte Annie M.G. Schmidt voor de serie Ja zuster, Nee zuster:

Elisa had een hond,
Die ze uit moest laten
Ze liep met hem een singeltje rond
Hij trok haar door de straten
Elisa had hem aan de lijn
De hond was groot en zij was klein

En Bello trok haar mee, hij holde door de laan
Bello, Bello, Bello, niet zo trekken asjeblieft
Bello, Bello, Bello, blijf toch staan

Zou de schrijfster niet echt een liefhebster van honden zijn geweest? Eén van de laatste regels van het lied is immers: Dat heb je met zo’n hond, jajaja, zo’n hond is niks gedaan, neeneenee. Misschien heeft ze wel eens een hondje geprobeerd en is dat trekken aan de lijn haar behoorlijk tegen gevallen?

Bommel trekt aan de lijn, maar omdat hij nog maar een pup is, is dat nog niet zo hinderlijk. Het ziet er evenwel naar uit dat hij een sterke hond gaat worden en dan gaat het trekken natuurlijk steeds lastiger en vervelender worden.

Op de puppycursus krijgen we training om de hond af te leren aan de riem te trekken. In de literatuur was ik al de trekken = stoppen methode tegen gekomen. Zo gauw er spanning op de riem komt, sta je stil. De hond leert dat trekken aan de riem stilstand betekent, net als wanneer hij aan een paal vast gebonden zou staan. Je moet dan wachten tot de hond naar je kijkt. Die blik komt over het algemeen vanzelf, want de hond wil altijd graag weten wat de baas wil. De hond zal uit zichzelf vaak een stapje naar je toe doen. Je beloont dat vervolgens met een hondensnoepje.

Een variant hierop oefenden we uitgebreid op onze leuke puppytraining. Hoe eerder je hiermee begint, hoe beter. Die gaat als volgt: Zo gauw er spanning op de riem komt, verander je van richting en loop je de tegengestelde kant op. Dit moet je met ijzingwekkende consequentheid herhalen. De hondentrainster waarschuwde ons: als je een keer haast hebt en je staat het trekken toch toe, met misschien in gedachten een keertje is niet zo erg, dan is al het voorgaande werk voor niets geweest. Een hond is namelijk een opportunist en als hij het idee krijgt dat trekken de moeite waard zou kunnen zijn, omdat je er soms wel en soms aan toe geeft, dan zal hij het iedere keer proberen. Trekken moet nooit iets opleveren. Als Bommel met me mee loopt zonder spanning op de riem, krijgt hij een snoepje. Trekken brengt hem niet waar hij wil. Gewoon meelopen levert iets op. Zo zou ik dan de leiding over Bommel ‘s loopgedrag krijgen, maar ik heb nog een lange weg te gaan.

Wandelen met Bommel doet een beetje denken aan het kinderliedje Naar voren, naar achter, van links naar rechts. Laatst passeerde ik een tuin waar een buurman na gedane arbeid lekker zat te rusten.

Ik: “Goedenavond, buurman.”
Buurman: “Ook goedenavond.”

Verder lopend wordt ik door gemeentegroen aan het oog van buurman onttrokken en op dat moment zet Bommel de vaart erin naar een poes verderop. Ik keer van richting en passeer, in de achteruitversnelling, opnieuw de rustende buurman.

Buurman: “Hé, daar hebben we buurman weer.”
Ik: “Nogmaals goedenavond.”

Bommel kijkt me aan en ik geef hem een aai.
Wij gaan weer vooruit, maar wat mij betreft iets te veel in volle vaart, want terwijl de poes de struiken in is gedoken heeft vervolgens een voorbij fietsend jongetje de aandacht van Bommel. Ik verander andermaal van richting en wij lopen achterstevoren op nieuw het blikveld van buurman / observator binnen.

Buurman: “Had ik U al eens eerder gezien?”
Ik: En ik kan U niet garanderen, dat dit de laatste keer zal zijn.”
Buurman: “Wellicht tot ziens.”
Ik: “U insgelijks.”

Bommel kijkt me aan en ik geef hem een aai over zijn rug.
Wij gaan weer vooruit, maar ondertussen heeft de poes van daarnet plagerig midden op de weg plaats genomen met alle accelereerde effecten op Bommel van dien.
Ten vierden male passeren wij achterwaarts de buurman.

“Ik zeg niks meer,” bromt deze.

Na verloop van tijd merk je dat deze methode wel degelijk gaat werken. Het is een manier die zijn effectiviteit in de praktijk heeft bewezen. Maar voorlopig voel ik mij wel een medewerker van Het Ministerie voor Rare Loopjes.