In restaurant Grevelingen drink ik rond tien uur ’s ochtends op het terras aan het MASTGAT nog even een kop koffie voordat ik Schouwen-Duiveland binnen rijd. De weidse blik verveelt geen seconde. Ik vraag me af waarom het niet tsjokkevol zit op een terras met zo’n schitterend uitzicht.

Het MASTGAT doet zijn naam eer aan want overal zijn masten te zien: van zeilboten, van staken in het water en van elektriciteit-molens. Waar hier de staken voor dienen weet ik niet. Op sommige plekken in Zeeland schijnen ze te worden gebruikt als terreinafbakening voor de mosselvissers en in de buurt van Bergen op Zoom staan ze er voor de vangst van ansjovis. 

Ik heb een wandeling van bijna twintig kilometer gepland over de dijk langs de oostrand van Duiveland. Deze kant van het eiland ken ik niet.  Onze vakanties en midweeks brengen we meestal aan de duinkant door. 

De auto laat ik achter op parkeerterrein Havenpoort in Zierikzee. Dat ligt aan het Groene Weegje, dat meer een weg dan een weegje blijkt te zijn. Met uitzicht op veel groen, dat weer wel. Gemakkelijk te vinden, vlakbij bij de witte graansilo aan de Zuidoost kant van Zierikzee.

Via de Julianastraat wandel ik naar de N256 die gelukkig ook een echte naam heeft: Weg naar de Val. Waar zou die naam vandaan komen? De ventweg leidt mij, via Het Stille Strand, naar de Gouweveerse Zeedijk. Alleen al door dit soort namen kan mijn dag niet meer stuk.

Ik kom op een geasfalteerd fietspad, dat een behoorlijke conflictlijn lijkt te zijn. Meeuwen pikken krabbetjes en allerlei schelpdieren uit het water en vliegen daarmee naar grote hoogte. Daar laten ze hun prooi uit hun snavel vallen zodat die te pletter slaat op het fietspad. Ze duiken vervolgens omlaag om de schalen leeg te peuzelen. De restanten blijven achter als een ruige herinnering aan jachtig maal.

Aan de westzijde wordt mijn uitzicht begrensd door de Zeelandbrug waarvan de bogen fel worden verlicht door de Zon. Hij lijkt zuidwaarts te wijzen naar de Goese telecommunicatietoren die fier uit de horizon omhoog prikt. Aan de bouw ervan is begonnen in 1955. Daarmee is de toren een leeftijdsgenoot van me, ook al was de officiële opening pas op 10 december 1957. 

De slikken bij het Stille Strand vormen kwetsbaar natuurgebied en mogen niet betreden worden. In de vegetatie meen ik zelfs zeekraal te herkennen. Waar een soort pier de Oosterschelde in steekt, bij de overgang van de Gouweveerse Zeedijk naar de Nieuwendijk, neem ik plaats op een bankje om onder het rustgevend suizen van de bladen van een elektriciteit-molen twee meegebrachte boterhammen op te peuzelen. 

Met een blik op de kaart vraag ik me af of de pier een stuk voormalige zeedijk is. De dijk die er op aansluit heet immers Nieuwendijk en de pier lijkt samen met zijn broertje een paar honderd meter verder op een stuk verloren gegaan land te omklemmen. Er zijn in dit gebied bij Ouwerkerk tijdens de ramp van 1953 maar liefst drie dijkdoorbraken geweest en de geschiedenis staat in het landschap gekerfd. 

Ik volg de kaarsrechte Nieuwendijk aan de zeekant naar de volgende bocht, waar achter de inlaag de Weg van de Buitenlandse Pers loopt. Het is hier drukker, want de Weg van de Buitenlandse Pers voert naar het Watersnoodmuseum, dat ik een andere keer hoop te bezoeken, want een wandeltocht van twintig kilometer is wel genoeg inspanning voor vandaag. 

Er is een uitkijkpost boven op de dijk gebouwd van waaruit men het binnendijkse land, of wat daar kort bij de dijk van over is, kan aanschouwen. Ik raak aan de praat met de vader van een gezin dat daar ook staat te kijken. We roemen de schoonheid van het eiland en de omringende wateren. “Op Schouwen-Duiveland kom ik steeds weer terug,” zegt de vader. 

Nou, ik ook dus.

Het museum heeft langs de dijk een cursus dijkbescherming aangelegd. Allerlei manieren om met stenen de dijk te versterken worden getoond. Bij weer een volgende bocht vormt een exhibitie van het Muraltmuurtje de afsluiting. Een eeuw geleden bedacht, na de stormvloed van 1906, Jonkheer Ingenieur de Muralt dat dijkverhoging met een betonnen muurtje van een meter een goedkope en uitvoerbare versterking zou zijn. Zijn idee werd op grote schaal toegepast en in die tijd leek het een zinvolle noviteit. De ramp van 1953 maakte er korte metten mee, helaas. In de Kroniek van het Land van de Zeemeermin is in 1982 een mooie studie verschenen over de Muraltmuur.  

Door alles wat er landinwaarts te zien is, zou ik haast vergeten naar het Oosten te kijken. Als de wandeling vordert zijn steeds andere (schier-) eilanden te zien. Noord-Beveland, Zuid-Beveland, Tholen en straks Sint-Philipsland. Wat lijken op afstand de dijken laag achter de watermassa ’s! Aan de horizon is ondertussen het eiland Tholen verschenen.

Na een tijdje moet ik Tholen helaas laten voor wat het is, want het landschap laat alweer zijn volgende verrassing zien. Ooit lag hier het dorpje Viane. Op de plek van dit verdwenen dorpje staat nu één prachtige villa die in de plaats gekomen is van een huis dat jarenlang een maritiem museum is geweest.

De afbraak van het huis wordt betreurd door liefhebbers van industrieel erfgoed. Dat begrijp ik wel, maar wat er voor in de plaats gekomen is, is ook mooi. 

Over het verleden van Viane is best veel op internet te vinden en dat maakt de wandeling nog leuker. Ooit had Viane een haventje en een veerdienst. Onder andere de post kwam op dit punt het eiland binnen. Landinwaarts ligt het gebouw van het voormalige stoomgemaal Viane, dat water uit het achterland pompte naar een spuikom, die nog in het landschap traceerbaar is. Dit gemaal is verbouwd tot woonhuis en de eigenaar wil er gaan wonen. Daarmee is het aantal bewoonde huizen van Viane met 100% gestegen! 

De buitendijkse weg heet hier ook Viane en die volg ik tot ik naar de binnendijkse weg verwezen wordt, omdat de zeekant beschermd natuurgebied is. Binnendijks heet het Oostersteijnweg. Weer zo’n mooie naam. Na verloop van tijd zijg ik neder aan een picknicktafel en al gauw krijg ik gezelschap van een ruwharige veldonderzoeker die zojuist tellingen op de schorren heeft verricht. Hij telt zeegras. 

De enthousiaste bioloog vertelt me dat zeegras eigenlijk een landplant is die zich aan het onderzeese leven heeft aangepast. Veel eigenschappen van landplanten zijn behouden. Hij heeft echte wortels, bloemen, pollen en zaden. In de zeebodem zit het giftige waterstofsulfide en om dat te bestrijden transporteert zeegras een gedeelte van de aangemaakte zuurstof naar de wortels. Hierdoor ontstaat een soort aarde. Dat leer ik toch maar weer mooi, daar aan het MASTGAT. Ik zeg hem dat ik jaloers ben op zijn werkzaamheden, want het is het mooiste weer van de wereld. Wij eten onze boterhammen en keuvelen zo’n beetje over de noodzaak dit prachtige landschap in stand te houden en dus te bewaken. Nadat wij als goede bekenden weer uit elkaar zijn gegaan ontdek ik dat ik gelukkig weer buitendijks kan gaan lopen en ontwaar vervolgens de contouren van Sint Philipsland. Het wandelen begint nu taai te worden want de zon brandt en ik heb er al vijftien kilometer opzitten. Gelukkig heb ik voldoende water bij me. Ik draag uitstekende wandelschoenen en zo te voelen heb ik geen blaren.

Bruinisse bereik ik via het vlekje Zijpe, waar vroeger de veerboot naar Sint Philipsland aanmeerde. De oude sfeer hangt er nog. Het oude veerhuis is nu een brasserie. Ik neem het wandelpad langs de Rijksstraatweg en al gauw zie ik bordjes die mij naar het busstation leiden. Daar eindigt mijn mooie wandeling. 

De bus brengt me in twintig minuten terug naar Zierikzee.

In restaurant Greveling drink ik nog een kop koffie en dan rijd ik weer op huis aan.