Vrolijk ongeduldig kwispelstaartend staat Bommel ’s ochtends om negen uur bij de deur te wachten.

“Wanneer gaan we nou?” zegt hij zonder woorden.

Het is tijd voor ons dagelijkse rondje IJsseldijk.

Om te voorkomen dat ik de voordeur word uitgetrokken en het einde van de straat bereik in een door Bommel bepaalde snelheid, die veel hoger ligt dan de snelheid die ik aangenaam vind,  volg ik altijd een vast ritueel.

“Eerst je BH aan, Bommel,” zeg ik.

Zijn BH is een BorstHalsband, een tuigje, dat niet alleen om de hals gaat, maar ook om de borst. Alleen maar een halsband lijkt mij hachelijk bij  zo’n sterke hond. Als een kat ons pad kruist, kan hij ineens zo vooruit springen. Nekwervelondermijning als mede luchtpijpverwringing kunnen dan zo maar optreden.

Hij moet er eerst in stappen, zodat het opgehesen kan worden. Bommel heeft het er niet op. Ik leg het tuigje op de vloer en zeg:

“Stap er maar in.”

De flaporen recht omlaag wijzend kijkt hij naar de rode lus voor hem met een mengsel van verbazing en verzet. Ik pak zijn voorpoten en plaats ze in de lus, hetgeen hij zonder morren toelaat.

“Zo doen we dat,” zeg ik.

Als het tuigje dicht geklikt is, wuift hij mij vrolijk met de staart koelte toe. Dat zit wel goed, denk ik dan maar. Na het vastmaken van de riem hang ik het handvat aan de dichtstbijzijnde deurkrik.

“Zit,” zeg ik tegen Bommel en gedwee voert hij dat uit.

Het punt is, dat ik mijn jas ook nog aan moet. Pin ik Bommel niet vast op zijn plaats, dan begint hij uit puur enthousiasme over de aanstaande wandeling als een malloot rondjes om mij heen te draaien, zo snel dat ik er duizelig van word.

Als we allebei volledig in gereedheid zijn, open ik de voordeur. Een half jaar geleden spoot hij dan het pleintje op, met mij in vliegende vaart er achter aan. Dat heb ik hem kunnen afleren. Hij stapt nog steeds als eerste naar buiten, maar dan komt hij weer terug en gaat hij achter mij lopen. De spanning is er helemaal uit.

We lopen de straat op en meestal is er dan wel een buurman of buurvrouw die hij wil laten merken hem of haar de leukste buur van de wereld te vinden. Mijn buurt kent veel straatleven en daar geniet Bommel iedere keer weer van.

“Ha die Bommel,” groet menigeen.

Na het verlaten van het huis, heeft Bommel geruime tijd last van BOS, het BegroetingsOverdrijvingsSyndroom. Er zijn weinig mensen en dieren, waar hij niet door gaat accelereren. Op de hondengedrag training heb ik daar het volgende voor geleerd. Zo gauw Bommel persé een bepaalde kant op wil en daarvoor snelheid meerdert, keer ik onmiddellijk om en wandel ik in de tegenovergestelde richting. Het resultaat is, dat hij leert dat het op die manier nimmer lukt. Daar heb ik meen ik al een keer eerder over geschreven. Tegenwoordig is het nog vooral nodig in de eerste tweehonderd meter van onze wandeling. Eigenlijk gaat het daarna meestal goed. Maar die eerste tweehonderd meter blijft eigenlijk nog steeds een komische act voor heer en hond. Tegen de tijd dat wij er het heen en weer van krijgen, geraken we in het goede stramien. Wij kuieren het woonerf over in de richting van een zandpaadje waarlangs wij het fietspad van de Weg naar Eme bereiken. Na het benzinestation ligt er naast het fietspad een voetpad. Wij nemen er de tijd voor, want Bommel checkt snuffelend zijn honden WhatsApp die verspreid ligt over graspollen, lantaarnpalen, bosjes, struikjes, afijn alles waar een klein plasje tegen aan kan.

Ik probeer, zo veel als het maar mogelijk is, te voorkomen dat Bommel op het woonerf zelf aan het WhatsAppen slaat. Menigeen zal er niet van gediend zijn dat Bommel wat sap tegen schutting, tulpenbosje of ligusterheg sprenkelt. Mijn goede relaties in de buurt gaan voor Bommels berichtenverkeer.

Afijn, na een kwartier lopen wij langs de Weg naar Eme en dan moet de eigenlijke wandeling nog beginnen. Daarover een volgende keer.