Van het Total station aan de Weg naar Eme naar de stoplichten aan de Den Elterweg liggen fietspad en voetpad broederlijk naast elkaar. Bommel en ik maken in deze tijden van Corona afwisselend van beide gebruik. Ik dicht mezelf het talent toe al van enige afstand te kunnen waarnemen of een tegenligger tot gepaste afstand bereid is. Als ik gebrek aan distantie vermoed, gaan wij aan de linkerkant van het fietspad lopen. Dat is wel altijd even uitkijken, want het kan soms druk zijn met fietsers, waarvan sommigen mij aankijken met een blik van “Wat moet jíj nou, er ligt toch ook een voetpad?”

Voor Bommel is het allemaal geen enkel probleem. Hij gaat gewoon mee. Tussen fietspad en autoweg ligt een brede berm. Aan mijn linkerkant begeleid ik hem door een stuk wilde natuur dat bestaat uit klaprozen, grassen, kruiden, eikenbomen en eikeltjes in verschillende stadia van ontbinding. Hij snuffelt er vrolijk op los met zijn mobiele onderzoekslaboratorium dat zijn enorme neus is. Als de persoon, die ik ontweken heb, is gepasseerd zoeken wij het voetpad weer op. Bommel vervolgt zijn biologische analyses in de rechterberm van het voetpad. Wat heb ik toch een flexibele hond. Zo nu en dan kraakt hij een eikeltje, een welkome aanvulling op zijn van huiswege verstrekte maaltijden.

Vlakbij is het ziekenhuis en verderop de oprit naar de Cortenoeverse brug. Er rijdt nogal eens een ambulance, een politieauto of soms zelfs een brandweerwagen met sirene. Daar moet Bommel niets van hebben. Het geluid is hem veel te verontrustend. Iedere eerste maandag van de maand beleef ik zijn verzet ook als de BB sirenes worden getest. Hij kijkt mij hulpeloos aan en laat zijn oogwit zien. Dat laatste is bij een hond een teken van opkomende boosheid. Hij blaft een paar keer nijdig en laat vervolgens een langdurig wolvengehuil horen. Hij kijkt passerende auto’s met sirene ongemakkelijk na. Het is echt aangrijpend om toe zien hoe ongemakkelijk hij zich voelt. Gemeente wagentjes met zwaailicht jagen hem ook schrik aan, maar sirenes zijn erger. Het geluid  gaat hem kennelijk door merg en been. Soms worden we ingehaald door een van het bureau komende politieauto met sirene, die vervolgens een stukje Den Elterweg neemt en dan de aanrijroute naar de Cortenoeverse brug op gaat. Dat betekent dat wij geruime tijd van het waarschuwingsgeluid mogen genieten. Bommel weet dan van geen ophouden. Ik stop meestal met wandelen, aai maar eens over zijn bol en spreek hem kalmerend toe.

“Je kan me wat,” lijkt hij te denken. “Ik vind er gewoon niks aan. Oe-oe-oe-oe-oe-oe-oe-oe.”

Maar meestal zijn er gelukkig geen sirenes.

Bij het stoplicht nemen wij het voetpad achterlangs de tennisbanen langs. Ook daar biedt een fietspad uitwijkmogelijkheden. Tussen beide paden ligt heerlijk veel groen. Ik heb het grote geluk in de zuidwijken van Zutphen te wonen, waar de bestuurders bij de planning vijftig jaar geleden kwistig met gemeentegroen zijn geweest. Toch hebben Bommel en ik ook in dit gebied het zelfde beleid. Vermoeden wij een non-distant persoon, dan steken wij naar het fietspad over. Soms banjeren wij daarvoor wel tien meter door het hoge gras van de brede tussenberm. Eenmaal op het fietspad is het uitkijken geblazen. Luid schreeuwende echte kerels in de kekke strakke pakjes van een fietssportclub kunnen plotseling voorbij razen. Wij zorgen er dan voor op tijd van het asfalt af te zijn. Wij willen nog langer blijven wandelen. Maar onderschat geëlektrificeerde seniorwielrijders niet. Sommigen lijken naar een snelheid te streven die in de buurt van hun leeftijd ligt. Nou ja grapje, maar te hard gaan ze wel. Is het voetpad weer leeg, voor zover te overzien, dan keren wij naar de veiligheid van het wandeldomein terug. Dit was mijn tweede verhaaltje over mijn dagelijkse vijf kilometer met Bommel en we zijn ongeveer een kilometer opgeschoten.