Blog Image

KLEINSCHEEPS

Te voet van Zierikzee naar Bruinisse

Schouwen-Duiveland Posted on Wed, August 14, 2019 19:48:12

In restaurant Grevelingen drink ik rond tien uur ’s ochtends op het terras aan het MASTGAT nog even een kop koffie voordat ik Schouwen-Duiveland binnen rijd. De weidse blik verveelt geen seconde. Ik vraag me af waarom het niet tsjokkevol zit op een terras met zo’n schitterend uitzicht.

Het MASTGAT doet zijn naam eer aan want overal zijn masten te zien: van zeilboten, van staken in het water en van elektriciteit-molens. Waar hier de staken voor dienen weet ik niet. Op sommige plekken in Zeeland schijnen ze te worden gebruikt als terreinafbakening voor de mosselvissers en in de buurt van Bergen op Zoom staan ze er voor de vangst van ansjovis. 

Ik heb een wandeling van bijna twintig kilometer gepland over de dijk langs de oostrand van Duiveland. Deze kant van het eiland ken ik niet.  Onze vakanties en midweeks brengen we meestal aan de duinkant door. 

De auto laat ik achter op parkeerterrein Havenpoort in Zierikzee. Dat ligt aan het Groene Weegje, dat meer een weg dan een weegje blijkt te zijn. Met uitzicht op veel groen, dat weer wel. Gemakkelijk te vinden, vlakbij bij de witte graansilo aan de Zuidoost kant van Zierikzee.

Via de Julianastraat wandel ik naar de N256 die gelukkig ook een echte naam heeft: Weg naar de Val. Waar zou die naam vandaan komen? De ventweg leidt mij, via Het Stille Strand, naar de Gouweveerse Zeedijk. Alleen al door dit soort namen kan mijn dag niet meer stuk.

Ik kom op een geasfalteerd fietspad, dat een behoorlijke conflictlijn lijkt te zijn. Meeuwen pikken krabbetjes en allerlei schelpdieren uit het water en vliegen daarmee naar grote hoogte. Daar laten ze hun prooi uit hun snavel vallen zodat die te pletter slaat op het fietspad. Ze duiken vervolgens omlaag om de schalen leeg te peuzelen. De restanten blijven achter als een ruige herinnering aan jachtig maal.

Aan de westzijde wordt mijn uitzicht begrensd door de Zeelandbrug waarvan de bogen fel worden verlicht door de Zon. Hij lijkt zuidwaarts te wijzen naar de Goese telecommunicatietoren die fier uit de horizon omhoog prikt. Aan de bouw ervan is begonnen in 1955. Daarmee is de toren een leeftijdsgenoot van me, ook al was de officiële opening pas op 10 december 1957. 

De slikken bij het Stille Strand vormen kwetsbaar natuurgebied en mogen niet betreden worden. In de vegetatie meen ik zelfs zeekraal te herkennen. Waar een soort pier de Oosterschelde in steekt, bij de overgang van de Gouweveerse Zeedijk naar de Nieuwendijk, neem ik plaats op een bankje om onder het rustgevend suizen van de bladen van een elektriciteit-molen twee meegebrachte boterhammen op te peuzelen. 

Met een blik op de kaart vraag ik me af of de pier een stuk voormalige zeedijk is. De dijk die er op aansluit heet immers Nieuwendijk en de pier lijkt samen met zijn broertje een paar honderd meter verder op een stuk verloren gegaan land te omklemmen. Er zijn in dit gebied bij Ouwerkerk tijdens de ramp van 1953 maar liefst drie dijkdoorbraken geweest en de geschiedenis staat in het landschap gekerfd. 

Ik volg de kaarsrechte Nieuwendijk aan de zeekant naar de volgende bocht, waar achter de inlaag de Weg van de Buitenlandse Pers loopt. Het is hier drukker, want de Weg van de Buitenlandse Pers voert naar het Watersnoodmuseum, dat ik een andere keer hoop te bezoeken, want een wandeltocht van twintig kilometer is wel genoeg inspanning voor vandaag. 

Er is een uitkijkpost boven op de dijk gebouwd van waaruit men het binnendijkse land, of wat daar kort bij de dijk van over is, kan aanschouwen. Ik raak aan de praat met de vader van een gezin dat daar ook staat te kijken. We roemen de schoonheid van het eiland en de omringende wateren. “Op Schouwen-Duiveland kom ik steeds weer terug,” zegt de vader. 

Nou, ik ook dus.

Het museum heeft langs de dijk een cursus dijkbescherming aangelegd. Allerlei manieren om met stenen de dijk te versterken worden getoond. Bij weer een volgende bocht vormt een exhibitie van het Muraltmuurtje de afsluiting. Een eeuw geleden bedacht, na de stormvloed van 1906, Jonkheer Ingenieur de Muralt dat dijkverhoging met een betonnen muurtje van een meter een goedkope en uitvoerbare versterking zou zijn. Zijn idee werd op grote schaal toegepast en in die tijd leek het een zinvolle noviteit. De ramp van 1953 maakte er korte metten mee, helaas. In de Kroniek van het Land van de Zeemeermin is in 1982 een mooie studie verschenen over de Muraltmuur.  

Door alles wat er landinwaarts te zien is, zou ik haast vergeten naar het Oosten te kijken. Als de wandeling vordert zijn steeds andere (schier-) eilanden te zien. Noord-Beveland, Zuid-Beveland, Tholen en straks Sint-Philipsland. Wat lijken op afstand de dijken laag achter de watermassa ’s! Aan de horizon is ondertussen het eiland Tholen verschenen.

Na een tijdje moet ik Tholen helaas laten voor wat het is, want het landschap laat alweer zijn volgende verrassing zien. Ooit lag hier het dorpje Viane. Op de plek van dit verdwenen dorpje staat nu één prachtige villa die in de plaats gekomen is van een huis dat jarenlang een maritiem museum is geweest.

De afbraak van het huis wordt betreurd door liefhebbers van industrieel erfgoed. Dat begrijp ik wel, maar wat er voor in de plaats gekomen is, is ook mooi. 

Over het verleden van Viane is best veel op internet te vinden en dat maakt de wandeling nog leuker. Ooit had Viane een haventje en een veerdienst. Onder andere de post kwam op dit punt het eiland binnen. Landinwaarts ligt het gebouw van het voormalige stoomgemaal Viane, dat water uit het achterland pompte naar een spuikom, die nog in het landschap traceerbaar is. Dit gemaal is verbouwd tot woonhuis en de eigenaar wil er gaan wonen. Daarmee is het aantal bewoonde huizen van Viane met 100% gestegen! 

De buitendijkse weg heet hier ook Viane en die volg ik tot ik naar de binnendijkse weg verwezen wordt, omdat de zeekant beschermd natuurgebied is. Binnendijks heet het Oostersteijnweg. Weer zo’n mooie naam. Na verloop van tijd zijg ik neder aan een picknicktafel en al gauw krijg ik gezelschap van een ruwharige veldonderzoeker die zojuist tellingen op de schorren heeft verricht. Hij telt zeegras. 

De enthousiaste bioloog vertelt me dat zeegras eigenlijk een landplant is die zich aan het onderzeese leven heeft aangepast. Veel eigenschappen van landplanten zijn behouden. Hij heeft echte wortels, bloemen, pollen en zaden. In de zeebodem zit het giftige waterstofsulfide en om dat te bestrijden transporteert zeegras een gedeelte van de aangemaakte zuurstof naar de wortels. Hierdoor ontstaat een soort aarde. Dat leer ik toch maar weer mooi, daar aan het MASTGAT. Ik zeg hem dat ik jaloers ben op zijn werkzaamheden, want het is het mooiste weer van de wereld. Wij eten onze boterhammen en keuvelen zo’n beetje over de noodzaak dit prachtige landschap in stand te houden en dus te bewaken. Nadat wij als goede bekenden weer uit elkaar zijn gegaan ontdek ik dat ik gelukkig weer buitendijks kan gaan lopen en ontwaar vervolgens de contouren van Sint Philipsland. Het wandelen begint nu taai te worden want de zon brandt en ik heb er al vijftien kilometer opzitten. Gelukkig heb ik voldoende water bij me. Ik draag uitstekende wandelschoenen en zo te voelen heb ik geen blaren.

Bruinisse bereik ik via het vlekje Zijpe, waar vroeger de veerboot naar Sint Philipsland aanmeerde. De oude sfeer hangt er nog. Het oude veerhuis is nu een brasserie. Ik neem het wandelpad langs de Rijksstraatweg en al gauw zie ik bordjes die mij naar het busstation leiden. Daar eindigt mijn mooie wandeling. 

De bus brengt me in twintig minuten terug naar Zierikzee.

In restaurant Greveling drink ik nog een kop koffie en dan rijd ik weer op huis aan.



Medewerker van Het Ministerie voor Rare Loopjes

Honden Posted on Wed, June 26, 2019 15:39:44

Ooit dichtte Annie M.G. Schmidt voor de serie Ja zuster, Nee zuster:

Elisa had een hond,
Die ze uit moest laten
Ze liep met hem een singeltje rond
Hij trok haar door de straten
Elisa had hem aan de lijn
De hond was groot en zij was klein

En Bello trok haar mee, hij holde door de laan
Bello, Bello, Bello, niet zo trekken asjeblieft
Bello, Bello, Bello, blijf toch staan

Zou de schrijfster niet echt een liefhebster van honden zijn geweest? Eén van de laatste regels van het lied is immers: Dat heb je met zo’n hond, jajaja, zo’n hond is niks gedaan, neeneenee. Misschien heeft ze wel eens een hondje geprobeerd en is dat trekken aan de lijn haar behoorlijk tegen gevallen?

Bommel trekt aan de lijn, maar omdat hij nog maar een pup is, is dat nog niet zo hinderlijk. Het ziet er evenwel naar uit dat hij een sterke hond gaat worden en dan gaat het trekken natuurlijk steeds lastiger en vervelender worden.

Op de puppycursus krijgen we training om de hond af te leren aan de riem te trekken. In de literatuur was ik al de trekken = stoppen methode tegen gekomen. Zo gauw er spanning op de riem komt, sta je stil. De hond leert dat trekken aan de riem stilstand betekent, net als wanneer hij aan een paal vast gebonden zou staan. Je moet dan wachten tot de hond naar je kijkt. Die blik komt over het algemeen vanzelf, want de hond wil altijd graag weten wat de baas wil. De hond zal uit zichzelf vaak een stapje naar je toe doen. Je beloont dat vervolgens met een hondensnoepje.

Een variant hierop oefenden we uitgebreid op onze leuke puppytraining. Hoe eerder je hiermee begint, hoe beter. Die gaat als volgt: Zo gauw er spanning op de riem komt, verander je van richting en loop je de tegengestelde kant op. Dit moet je met ijzingwekkende consequentheid herhalen. De hondentrainster waarschuwde ons: als je een keer haast hebt en je staat het trekken toch toe, met misschien in gedachten een keertje is niet zo erg, dan is al het voorgaande werk voor niets geweest. Een hond is namelijk een opportunist en als hij het idee krijgt dat trekken de moeite waard zou kunnen zijn, omdat je er soms wel en soms aan toe geeft, dan zal hij het iedere keer proberen. Trekken moet nooit iets opleveren. Als Bommel met me mee loopt zonder spanning op de riem, krijgt hij een snoepje. Trekken brengt hem niet waar hij wil. Gewoon meelopen levert iets op. Zo zou ik dan de leiding over Bommel ‘s loopgedrag krijgen, maar ik heb nog een lange weg te gaan.

Wandelen met Bommel doet een beetje denken aan het kinderliedje Naar voren, naar achter, van links naar rechts. Laatst passeerde ik een tuin waar een buurman na gedane arbeid lekker zat te rusten.

Ik: “Goedenavond, buurman.”
Buurman: “Ook goedenavond.”

Verder lopend wordt ik door gemeentegroen aan het oog van buurman onttrokken en op dat moment zet Bommel de vaart erin naar een poes verderop. Ik keer van richting en passeer, in de achteruitversnelling, opnieuw de rustende buurman.

Buurman: “Hé, daar hebben we buurman weer.”
Ik: “Nogmaals goedenavond.”

Bommel kijkt me aan en ik geef hem een aai.
Wij gaan weer vooruit, maar wat mij betreft iets te veel in volle vaart, want terwijl de poes de struiken in is gedoken heeft vervolgens een voorbij fietsend jongetje de aandacht van Bommel. Ik verander andermaal van richting en wij lopen achterstevoren op nieuw het blikveld van buurman / observator binnen.

Buurman: “Had ik U al eens eerder gezien?”
Ik: En ik kan U niet garanderen, dat dit de laatste keer zal zijn.”
Buurman: “Wellicht tot ziens.”
Ik: “U insgelijks.”

Bommel kijkt me aan en ik geef hem een aai over zijn rug.
Wij gaan weer vooruit, maar ondertussen heeft de poes van daarnet plagerig midden op de weg plaats genomen met alle accelereerde effecten op Bommel van dien.
Ten vierden male passeren wij achterwaarts de buurman.

“Ik zeg niks meer,” bromt deze.

Na verloop van tijd merk je dat deze methode wel degelijk gaat werken. Het is een manier die zijn effectiviteit in de praktijk heeft bewezen. Maar voorlopig voel ik mij wel een medewerker van Het Ministerie voor Rare Loopjes.



Het koffertje stond altijd klaar

Schouwen-Duiveland Posted on Sat, June 01, 2019 18:57:15

“Het koffertje staat nog altijd klaar,” zegt de boer als antwoord op mijn vraag of hij nog wel eens terug denkt aan de watersnood van 1953.

Het komt door mijn jeugdige onbenulligheid dat ik die vraag zo maar durf te stellen, want had ik beter nagedacht dan had ik zelf wel kunnen bedenken dat het meemaken van zoiets ingrijpends als de overstroming natuurlijk nooit meer echt uit je gedachten weg gaat. Maar hij neemt het me niet kwalijk, blij misschien dat hij het er over kan hebben.

“Het koffertje staat nog altijd klaar,” herhaalt hij. Hij kijkt mij aan en knikt.
“Voor als het weer gebeurt? Met de belangrijke papieren en zo?”
“Ja en met een paar flessen water.”
Ik schiet in de lach. Flessen water klaar zetten voor als het water weer komt klinkt zo mal in mijn puberoren.

Het is zomer 1971 en mijn vader heeft een vakantiebaantje voor me weten te regelen bij zaadhandel Van der Have. Ik heb het daar reuze naar mijn zin. Het werk bestaat erin dat ik voor selectiewerk in een team met drie andere arbeiders naar boerderijen in voornamelijk Zuidwest Nederland wordt gestuurd. Wij werken bij boeren die een gedeelte van hun land besteden aan de verbouw van graszaad. Ik heb me tot dan toe niet gerealiseerd wat een reusachtige bedrijfstak de graszaadteelt is. Weilanden moeten ingezaaid zijn met gras van speciale kwaliteit om tot een zo groot mogelijke melk- en vleesproductie te leiden. Maar voetbalvelden vereisen weer heel ander gras dat weer sterk verschilt van het gras in gazons. In de graszaadvelden mag geen vervuiling met verkeerde grassen voorkomen.

Op een van mijn eerste bedrijfsbezoeken beland ik op een hoeve in de buurt van Elkerzee. Wij zijn rond halfacht vertrokken en via de nog niet zo lang geleden geopende Zeelandbrug hebben we ons doel in een klein uurtje bereikt. Dat is makkelijk verdienen voor een scholier, zo op de achterbank van een auto!

In gezelschap van de boer en de drie landarbeiders sjok ik even later door het immense graszaadveld met een sikkel in mijn rechter hand en een juten zak om mijn middel voor het verzamelen van foute grashalmen. Om me heen ligt de schitterende uitgestrektheid van het Schouwse akkerland. Het valt me dan al op, kan ik me herinneren, dat Schouws licht anders is dan Zuid-Bevelands licht. Voor de ervaring van licht maakt het een groot verschil of je je bevindt tussen de boomgaarden rond Kapelle of in de Schouwse klei met aan de einder hier en daar een boomdijk.

“Het stormde ongenadig die nacht,” vertelt de boer. Ik woonde met mijn broer en mijn ouders op die hoeve daar. Ergens in de nacht zijn mijn broer en ik ons bed uit gegaan om naar het dorp te lopen voor het onderzoeken van de toestand. Wees voorzichtig riep mijn moeder nog. We werden door de Noordooster wind bijna over de weg geblazen. We hadden er weinig over te vertellen. Ineens zagen we in de verte een witte streep op ons afkomen. We waren verbaasd, want we snapten niet wat we zagen. Plotseling begrepen we dat het zeewater moest zijn dat kolkend op ons af kwam. We vluchtten naar een boerderij verderop en bonkten op de deur. Die mensen lieten ons binnen en we zijn op de bovenverdieping gaan zitten. Toen de vloedgolf tegen het huis op botste schudde het op zijn grondvesten. Met die daverende klap kwam ook het inzicht dat het echt helemaal fout zat. Ik dacht in paniek aan mijn ouders die we hadden achter gelaten. Het boerenhuis waar wij in zaten was stevig gebouwd, maar het huis van mijn ouders had eensteens muren en was dus veel zwakker. De klap was formidabel geweest. Er zat niets anders op dan de dag af te wachten. Dat hebben we gedaan. We keken toen het licht werd uit het zolderraam en om ons heen was niets anders dan zee met in de verte hier een daar een huis en een bomendijk. We bedachten allerlei manier om weg te komen, maar het water was wild en we durfden niet. Huiverend van de kou hebben we gewacht op hulp die alsmaar niet kwam. Langzaam begon de dorst. We hadden niets te drinken en rondom was alleen zout water. De regenput was daar natuurlijk ook door vervuild. Toen werd het weer nacht.”

“Vandaar die flessen water in uw vluchtkoffertje,” zeg ik.
De boer knikt.
“Pas maandag in de loop van de dag kwamen militairen langs gevaren die ons uit de ellende haalden. Ik smeekte om water. Water, wat is dat een goddelijke drank.”
“En uw ouders?”
“Onze boerderij was ingestort en hun lichamen zijn door de zee mee genomen. Ze zijn nooit terug gevonden.”



Lassie come home

Honden Posted on Fri, May 31, 2019 16:01:20

Aanleiding
Als wij dertien jaar geleden onze eerste gezinshond aanschaffen kan ik niet bevroeden hoe diep de band is die kan ontstaan tussen hond en gezin. Een half jaar na het overlijden van Doris heeft Bommel zijn intrede gedaan in ons huis en nu sta ik daar anders in. Ik help de hond opvoeden met die bijzondere symbiose in gedachten. Onder andere door lezen in de overweldigende literatuur, die over honden is geschreven, verdiep ik me in dit boeiende onderwerp.


In de jaren zestig is de hond Lassie, met name door de televisieserie, razend populair. Het oorspronkelijke boek, Lassie come home van de Engels Amerikaanse schrijver Eric Knight waar de serie een afgeleide van is, heb ik eerder nooit gelezen. Enkele weken geleden vind ik het tijd worden daar verandering in te brengen. Bij de plaatselijke bibliotheek is het niet zo maar te krijgen. Het moet gereserveerd worden en als ik het na enkele dagen kan ophalen zie ik dat het uit de provinciale bibliotheek in Arnhem komt. Deze uitgave van de Disney boekenclub uit 1985 wordt blijkbaar niet meer vaak uitgeleend.

Dat is jammer, want het is een hartverwarmend verhaal over de loyaliteit van een hond aan zijn familie. Het boek is sinds 1940 uitgebracht in tal van verschillende talen en edities.

Eric Knight vertelt ons een verhaal over vriendschap, loyaliteit en grote liefde tussen hond en mens. De jongen Joe is zoon van een mijnwerker en de collie Lassie is zijn beste vriend. Als het even kan spelen ze samen, maar hun geluk wordt hard verstoord als Lassie moet worden verkocht.

Het verdriet van de jongen wordt versterkt door de gebrekkige verbale communicatie van zijn ouders. Zij voelen de zelfde pijn als de jongen, maar willen daar niet voor uit komen. Zij proberen steeds het probleem van het verlies van de hond te rationaliseren door te zeggen dat ze het geld nu eenmaal hard nodig hebben. Dat is ook wel zo, maar daar wordt de pijn van de jongen niet minder van. Die stugge ouderlijke communicatie is knap met het verhaal verweven. Overigens is de non-verbale communicatie van vader met de hond van een veel hoger niveau.

Lassie en Joe kunnen zich niet met de scheiding verenigen en er begint meteen een gevecht om zich weer te herenigen. Hun wapens en winnende factoren in die strijd zijn loyaliteit, moed, doorzettingsvermogen, trouw en een enorme hoeveelheid liefde.

Samenvatting
In het Engelse Yorkshire County, in het dorp Greenall Bridge, woont het mijnwerkersgezin van Sam Butt (Sam Carraclough), dat bestaat uit vader, moeder en zoon Joe. (In de oorspronkelijke versie heet vader Sam Carraclough, maar in de vertaling die ik gelezen heb heet hij Sam Butt). Joe besteedt al zijn vrije tijd aan het spelen met zijn hond, een collie die Lassie heet. Ze worden onafscheidelijk en Lassie wacht elke dag om vier uur ’s middags voor school op Joe zodat ze met hem naar huis kan lopen. Hun vriendschap is sterk en onbreekbaar.

Door de crisis raakt Sam zijn werk in de mijn kwijt en moet het gezin leven van een uitkering. Het is armoetroef en vader voelt zich gedwongen om Lassie te verkopen aan de oude en rijke graaf van Rudling. De graaf wordt neergezet als een vlerk van een edelman, die iedereen afsnauwt en eigenlijk alleen een min of meer menselijk contact heeft met zijn kleindochter Priscilla. Hondenoppasser Hynes krijgt opdracht om goed voor de Lassie te zorgen. De graaf wil met Lassie naar tentoonstellingen.

Lassie kan zich niet aanpassen aan haar nieuwe leven in een kennel. Ze blijft verdrietig en begint eten te weigeren. De drang om terug te keren naar haar oude huis wordt enorm, met name om vier uur ’s middags als ze gewend is Joe op te halen uit school. Ze maakt van de eerste gelegenheid gebruik om weg te lopen. Joe is vol vreugde als hij bij het uitgaan van de school Lassie weer ziet. Joe neemt Lassie mee naar huis, maar zijn ouders proberen hem aan het verstand te brengen dat dit niet kan. Ze hebben immers veel geld gekregen voor de hond en kunnen daardoor de hond niet houden. De als miezerige kerel neergezet hondenoppasser Hynes weet precies waar hij zijn moet als hij de hond aan het zoeken is, en neemt Lassie weer mee terug naar de kennel van de graaf.

Lassie blijft ongelukkig en blijft weglopen. Akelige Hynes neemt steeds drastischer maatregelen om Lassie op het landgoed te houden. Hij verhoogt het hek een aantal malen, maar Lassie springt over de hindernis heen en rent weer weg, terug naar Joe. Joe besluit om met Lassie van huis weg te lopen, dus gaan ze naar een nabijgelegen schuilplek, maar vader vindt hen snel en geeft Joe een uitbrander. Joe moet terug naar huis en Lassie gaat terug naar het landgoed van de grove graaf Rudland.

Op een dag vertelt vader Joe over de beslissing van de graaf om Lassie mee te nemen naar zijn landgoed in Schotland. Ook hier gedijt Lassie niet. Minkukel Hynes bindt haar vast om te voorkomen dat ze vlucht. Priscilla en haar grootvader worden hier erg boos over en geven Hynes de opdracht om elke dag met Lassie te gaan wandelen. Op zo’n wandeling maakt Lassie van de gelegenheid gebruik om weg te rennen. Zij weet met haar instinct feilloos de juiste richting naar huis op te gaan.

Op weg naar huis beleeft ze gevaarlijke avonturen. Ze redt zichzelf van een groot onweer door zich te verstoppen in een grot. Na vier dagen raakt ze uitgeput van de honger, waardoor ze haar oerinstinct van de jacht weer tot ontwikkeling moet brengen. Een passerende wezel heeft pech. Het dode konijn dat hij bij zich heeft verwisselt van eigenaar en Lassie heeft weer iets te smikkelen.

In de streek die Lassie passeert is onrust over hondsdolheid en zwerfhonden moeten worden gevangen. Twee hondenmeppers nemen Lassie beet en zij raakt gewond. Een van de leuke kanten van het boek is dat de schrijver van ieder deel-avontuur gebruikmaakt om aardige karakters en scenes neer te zetten. Veel hoofdstukken zouden ook als kort verhaal kunnen worden gepubliceerd. Zo komt ze bij een ontsnappingspoging terecht in een rechtszaal waar de rechter, als gevolg van het tumult dat dit veroorzaakt, zich gedwongen voelt de zaak te verdagen.

Ze slaagt er opnieuw in te ontsnappen en vindt haar weg naar de rivier, die een natuurlijke grens tussen Engeland en Schotland vormt. Ze steekt de rivier met succes over, maar na enige tijd stort ze in, uitgeput en zwak. Een ouder echtpaar, Daniel en Dally Fadden, vindt haar. Dit echtpaar wordt door de schrijver neergezet met veel begrip voor de kommervolle omstandigheden waaronder een groot deel van het volk leeft in de jaren dertig. Daniel en Dally hebben hun zoon verloren, toen die als soldaat sneuvelde in de eerste wereldoorlog. Ze moeten leven van een karig pensioentje in een klein afgelegen huisje. Ondanks hun beperkte middelen nemen ze Lassie mee naar hun huis en bieden haar onderdak en eten. Ze besluiten haar te adopteren. Met name de vrouw is erg in haar nopjes met Lassie. Ook al voelt Lassie zich dankbaar, de allesoverheersende drang om terug te gaan naar haar geboortegrond zorgt er voor dat ze steeds krabt aan de deur en onrustig heen en weer loopt. Uiteindelijk begrijpt Dally deze signalen en laat haar gaan.

Een mooi verhaal is ook Lassie’s verblijf bij de marskramer Rowley Palmer. Als Lassie weer op weg is, trekt ze een tijdlang met hem op. Rowley handelt in potten en organiseert circusvoorstellinkjes met zijn eigen hondje. Omdat ook hij op weg is naar het zuiden is het voordelig voor Lassie zich bij hem aan te sluiten, want Rowley geeft hem te eten. Enkele meters achter de woonwagen sjokt Lassie mee. De bijzondere reisgenoten worden overvallen door twee zwervers en het hondje van Rowley komt om bij het gevecht dat ontstaat. Lassie ontpopt zich tot felle vechthond en de bandieten slaan, bloedend uit hun wonden, op de vlucht

Lassie redt dus Rowley, maar wil toch niet bij hem blijven. Op een kruispunt van wegen geeft hij aan naar het Zuiden te willen gaan.

Dan komt de winter en alles wordt bedekt met sneeuw. De uitgeputte Lassie krijgt longontsteking maar slaagt er op de een of andere manier in om voor Joe’s school aan te komen. Lassie is uiteindelijk terug thuis na een reis van duizenden kilometers. Ze is meer dood dan levend. Een bonk van een werkeloze mijnwerker helpt Joe om Lassie naar huis te brengen.

De hele familie is blij dat ze terug is. Lassie’s gezondheid herstelt snel. De vreugde wordt getemperd door de vrees dat de graaf Lassie weer zal opeisen. Gelukkig is er een oplossing. De graaf wil inderdaad Lassie terug, maar hij neemt ook Joe’s vader in dienst als hondenoppasser. Hij blijkt uiteindelijk zo verstandig te zijn geweest zich van Hynes te ontdoen.

Het gezin mag zelfs op het terrein van de graaf komen wonen. Zo vindt het verhaal een hartverwarmend einde te midden van de bittere kou van het winterse Yorkshire County.



Zeebiologisch sightseeing

Schouwen-Duiveland Posted on Mon, May 27, 2019 15:54:54

Ooit organiseerde ik voor 105 derdeklassers van mijn school een werkweek “Zeeland”, waarin uiteraard ook een uitgebreid bezoek aan mijn geliefde Schouwen-Duiveland op programma stond. De inhoud van het programmaonderdeel was Zeebiologie. Ik wilde onze leerlingen met verschillende aspecten hiervan laten kennismaken en ik had de hulp ingeroepen van Stichting Veldstudie, die een steunpunt in Serooskerke heeft.

Ons gezelschap was maar liefst 105 derdeklassers groot. Over de logistiek van de operatie moest dus van te voren grondig worden nagedacht. Over de uitvoering kan ik trots zeggen dat die wonderwel geslaagd is.

Wie van Zierikzee naar Haamstede rijdt komt door uitgestrekte wetlands. Ooit werd hier veeteelt beoefend, maar – zo is mij verteld – via zandruggen in de ondergrond dringt zout water vanuit de Oosterschelde het land binnen waardoor verzilting plaatsvindt. Omdat als gevolg daarvan de grond aan kwaliteit inboet en om een tegenwicht te bieden tegen industrialisatie en woonbebouwing elders werd hier natuurgebied aangelegd. Het heet Plan Prunje en het is een bezoek meer dan waard. Als ik er bij mistig weer in November door heen rijd voel ik een sfeer zoals bij het lezen van Wuthering Heights, alleen dan nu in de laagte. Woeste laagten. Plan Prunje was een van de drie onderdelen van onze schoolreis.

Vijf eeuwen geleden lag de zeedijk van Schouwen nog ruim drie kilometer zuidelijker in de Oosterschelde. In dit Zuidland lagen veertien zeer welvarende dorpen. Ter hoogte van waar nu de Plompe Toren staat, lag het dorp Koudekerke. De bewoners van de streek waren zich bewust van de kwetsbaarheid van hun dijken en legden landinwaarts een tweede dijk aan. Het gebied tussen twee dijken in heette inlaag. In dit gebied werd nog wel landbouw en veeteelt beoefend, maar er werd niet meer gewoond. De gebouwen die er stonden werden steen voor steen en plank voor plank afgebroken, om elders weer te worden opgebouwd. Zo verdween Koudekerke. Alleen de toren bleef staan als baken voor de scheepvaart. Bij laag water konden leerlingen hier voor de kust prachtig bodemonderzoek doen en zeehondjes kijken, hadden we bedacht. Bij hoog water was altijd nog het beklimmen van de toren een attractie.

Het derde onderdeel van de veldstudiedag was vissen met een sleepnet bij het strand van het zevende kunstwerk der Deltawerken, de Brouwersdam. Het leuke van de Brouwersdam is dat er een weg aan de zeezijde ligt. Niet alleen een weg, maar ook parkeerplaatsen en strand. Er is altijd heel veel levendigheid. Onze leerlingen zouden hun werkzaamheden dan ook gaan doen te midden van surfers, vliegers, frisbies, vissers, beach volleyballers en bikini’s.


Wij hadden 105 leerlingen opgesplitst in drie groepen van 35. Het programma was gedeeld met de busmaatschappij en de chauffeurs hadden er van te voren goede notie van genomen.


Door middel van een uitgekiend circulatieplan zouden de drie groepen door twee bussen van de ene activiteit naar de andere gereden worden. Hetgeen geschiedde. De chauffeurs pikten het plan moeiteloos op. In Plan Prunje moest ik nog wel een keer de bus uit, om, gadegeslagen door 60 leerlingen, een schaap opzij te manoeuvreren die de doorgang van de bus belemmerde. Er viel natuurlijk weer niet mee te praten en enig duw en trek werk van mijn kant was noodzakelijk. Onder het zingen van een protestsong koos het schaap eieren voor haar geld. De bus kon door. Ik wist niet dat ik het in me had. Kan zoiets nou ook op LinkedIn in een vaardighedenlijstje?

De dag was niet in de laatste plaats een succes door de gemoedelijke wijze waarop onze leerlingen met dit zeebiologisch sightseeing omgingen.



Naar Zierikzee

Schouwen-Duiveland Posted on Fri, May 24, 2019 14:50:00

Rond 1960 woont in ons ouderlijk huis ook onze indrukwekkende herdershond Arno. Hij pleegt ongenadig uit te vallen naar oudere mannen van het robuuste type. Dat geeft te denken. De vrouw bij wie we hem ooit op haalden zei bij overdracht “Het is een rotbeest”, maar tegen ons kinderen is hij altijd alleen maar lief geweest.

Op een winderige en regenachtige dag in augustus merkt Arno de sensatie die wij allen voelen. Hij huppelt, springt en gekt in de achtertuin heen en weer rondom onze fietsen die gereed staan voor vertrek.

Maar vlak voor we weg gaan ondergaat hij de teleurstelling dat mijn ouders met hem een ander plan hebben: hij gaat de schuur in om daar met een bak water en een kluif onze terugkeer laat in de middag af te wachten.

We fietsen weg: moeder en zus voorop, daarachter vader met mij op de bagagedrager en naast ons mijn broer.

Tot verder op in de Dijkwelschestraat hoor ik het wanhopig gejank van de hond, die zelden alleen thuis is. Meestal mag hij met mijn vader mee naar een van de boomgaarden die een Eldorado vormen voor honden die graag op konijntjes jagen. En thuis is er ook de hele dag gezelschap. Nu zit hij alleen in de schuur.
“Arno begrijpt het niet,” zegt mijn broer.

Het tussendoel van de tocht is het Katscheveer bij Wilhelminadorp op Zuid-Beveland, waar in die dagen de veerboot naar Zierikzee aanlegt, want de sluis naar Noord-Beveland is nog niet klaar. Vijfenveertig minuten lang bungelen mijn beentjes zonder voetsteunen aan weerszijden van de fiets maar ik ben wel wat gewend en voor een bezoek aan Zierikzee heb ik pijn in mijn kont en slapende benen wel over.

Als vijfjarig zoontje van een fruitteler te Kapelle ben ik in die dagen nog nooit op vakantie geweest. Ik geen idee wat Zierikzee is, maar voor mijn gevoel moet de reis er naar toe kunnen concureren met een voetreis naar Santiago de Compostella, een bedevaartstocht naar Mekka of de zijderoute naar China om maar eens iets te noemen.

Op de Monnikendijk bij Kattendijke vraag ik: “Papa, zou het nog ophouden met regenen?” Mijn vader bezweert dat het nooit altijd alleen maar blijft regenen.
Bij de brug over het Wilhelminakanaal vraag ik: “Is het nog ver naar de boot?” Mijn vader respondeert dat het niet meer ver is en daarin heeft hij natuurlijk gelijk, want alles is relatief, al voelen mijn benen niet relatief aan. Als wij in de Wilhelminapolder het fietspad langs de grote weg inslaan informeer ik: “Is het zwaar fietsen tegen de wind in?” Mijn vader repliceert dat dit nogal meevalt. Daarmee is ons hele gesprek van huis tot aan Katscheveer weergegeven. Converseren met jonge kinderen is niet de sterkste kant van mijn vader, maar ik heb nooit getwijfeld aan zijn goede bedoelingen.

Te Katscheveer gaan wij scheep op het motorschip De Koningin Emma die plaats biedt aan wandelaars, fietsers, auto’s en een enkel span paarden. De bootreis gaat niet meteen naar Zierikzee, eerst wordt de haven van Kats nog aangedaan opdat ook de Noord-Bevelanders de overtocht kunnen maken.

Aan dek pakt mijn vader mijn knuistje knetter vast en laat niet meer los tot we in Zierikzee zijn. Wij wandelen wat over het dek heen en weer en ik vraag: “Is het diep hier?”
“Twintig meter,” besluit mijn vader ter plekke.
“Twintig meter,” roep ik, onder de indruk, tegen mijn zus.
“Pas maar op, Hansje,” zegt ze.

In Zierikzee drentelen wij rond, een beetje huiverig van de natte kou. Tot mijn grote geluk gaan we een bord friet eten, met mayonaise. “Het is regenachtig,” zegt de frietboer en wij zullen de laatsten zijn om dat te ontkennen.

Daarna gaan wij met de Koningin Emma weer terug naar Katscheveer. Het is een topdag waarvan ik iedere seconde geniet. Zierikzee kan niet meer stuk voor mij. Op de fietstocht terug naar huis mag ik op de stang zitten en daar doezel ik weg tegen de corduroy jacket van mijn vader, die met één hand stuurt en mij met de andere hand stevig vast houdt. Hij heeft wind mee dus dat lukt wel.

Thuis vertel ik alles wat ik gezien heb aan Arno, die zeldzaam blij is met onze thuiskomst.

Het duurt enkele jaren voor het gezin weer op een gezamenlijk uitje gaat.



Wandelen

Honden Posted on Wed, May 15, 2019 09:05:20

Bommel heeft de hele dag door energie voor tien. Zijn leven bestaat uit één groot diepgaand onderzoek van de leefomgeving.

In de bench ligt een babydekentje ter verzachting van de bodem. Het is een degelijke deken van Aabe uit de jaren vijftig met zo’n officieel vignet erop genaaid. Ooit snurkte daaronder een babyboom-spruit en wij hebben bedacht dat nu Bommel wel van de kwaliteit ervan zou kunnen gaan genieten. Dat doet-i ook wel, maar hij heeft zo zijn eigen invulling van het begrip “genieten”. Overdag staat het deurtje open, en vrijelijk drentelt Bommel in en uit om het babydekentje eens stevig te laten merken wie de baas is, of zo. Regelmatig bespringt hij het in pastelkleuren geblokte geval en zet de tanden er stevig in. Dan schudt hij zijn kop wild heen en weer, ondertussen grommend dat hij het schapenproduct mores zal leren. Met name het etiket is hem een doorn in het oog. Toen hij door de kamer liep met een stuk van het vignet in de bek heb ik het maar van de deken af geknipt.

Overigens mag de deken nog van geluk spreken. Bommels favoriet bij het ontwikkelen van vechttechnieken is zonder twijfel een knuffel waarvan de maker bij het ontwerpen een verre neef of nicht in gedachten zou kunnen hebben gehad. Als ik zeg dat Bommel niet mals met zijn lappen neef of nicht omgaat druk ik mij voorzichtig uit. Met name de stompe staart blijk een lustobject voor een bijtgrage hondenbek. Grimmig zet Bommel keer op keer zijn gretige tandjes in het al zo vaak mishandelde stompje. “Ik bijt tot je piept,” lijkt hij te willen zeggen, maar dat gebeurt dus niet. De stoffen verre verwant blijft de hele tijd erbij kijken alsof hij zeggen wil: “Maar wat heb ik dan toch verkeerd gezegd?

De behoefte aan lichamelijke oefening is kennelijk zo groot, dat ik besluit tot het maken van een wandeling met iets meer uitdaging dan het gescharrel in de buurt waar we ons tot nu toe tot hebben beperkt. Leidraad voor mijn handelen is het boek Een hondenleven lang fysiek en mentaal in balans. Deze wegwijzer ben ik grondig aan het doorspitten. Ik lees onder andere dat over het algemeen de vijfminutenregel wordt gehanteerd. Dat betekent dat wandelingen gelijkmatig en rustig moet worden opgebouwd. Per maand dat Bommel oud is mag hij vijf minuten wandelen. Bommel mag dus tien minuten wandelen. Ik neem aan dat dat een gemiddelde is en driest besluit ik een kwartier te proberen.

Als wij vanochtend vroeg van huis gaan, blijkt het verlaten van de wijk al een dermate interessant avontuur te zijn dat ik gedwongen ben de snelheid tot bijna nul terug te brengen. Iedere vogel moet worden bekeken, iedere startende auto is reden voor het werpen van een bezorgde blik. Voorbijgangers worden meer dan hartelijk begroet. Tijdens het wandelen staat Bommel vooral stil, de omgeving in zich opnemend. Ik betrap me er op dat ik geneigd ben hem mee te lokken met lekkere voertjes, maar dat mag niet van de schrijfsters van het boek. Ik heb uit mijn leidraad geleerd, dat ik dan het verkeerde signaal geef: “Als ik ga zitten krijg ik een voertje”. Ik besluit Bommel op de arm te nemen en mee te voeren naar rustiger oorden. Als we op een derde deel van de wandeling zijn aangeland, begint er een rustig wandelpad met weinig afleiding uit de omgeving. Bommel dartelt opgeruimd naast me. Steeds als we enkele tientallen meters probleemloos gelopen hebben, geef ik een voertje, hetgeen enthousiast wordt aanvaard.

Dan komen we bij een weg waar veel verkeerslawaai is en Bommel duikt ineen van angst. Vanachter een graspol blikt hij verschrikt naar het voorbij razend blik. Hij wil niet meer. Ik neem hem op mijn linkerarm en met het kopje van Bommel in de richting van de gemotoriseerde medemens schrijden wij huiswaarts.

Eenmaal weer in de wijk zet ik hem op de grond, geef hem voertjes en complimenteer hem met zijn moed. Hoe dichter we bij huis komen, hoe beter het gaat. Steeds kijkt hij naar me op met een blik van “Leuk hè?”. Nou ja, hij bedoelt natuurlijk “Mag ik nog een brokje”, maar ik gun mezelf de illusie.



De Blije Doos

Honden Posted on Thu, May 09, 2019 14:07:47

Voorzien van het hondenpaspoort hebben we gisteren met Bommel het eerste bezoek gebracht aan onze dierenarts. Wij hebben een leuke dierenarts. Hij zou zo, als een soort James Harriot, de hoofdrol kunnen spelen in zo’n mooie Engelse serie.

Tijdens het consult wordt de tweede inenting gedaan, die moet plaatsvinden als de pup ongeveer 9 weken oud is. Verder doet de dokter algemeen onderzoek en concludeert dat we een goede hond hebben aangeschaft. Alles in de juiste proporties. Niet te hoog op de poten, geen te lange rug, geen afgezakte heupen, geen bizarre oren, geen naar binnen gegroeide neus waardoor de hond ademhalingsmoeilijkheden heeft, geen te kleine schedel met permanente hoofdpijn als gevolg. Niks van dat alles, gewoon: een hond zoals de natuur het bedoeld heeft.

De volgende inenting vindt over vier weken plaats en een week van te voren moeten we twee pilletjes tegen de wormen naar binnen zien te wurmen. Ik herinner me nog hoe verheugd Doris hierop reageerde maar niet heus en ik ben alvast begonnen met de mentale voorbereiding op deze uitdaging.

Terwijl ik dit schrijf ontwaakt Bommel uit een diepe slaap. Hij zet meteen een rariteitenprogramma in, waarvan het eerste nummer schoenveter lostrekkenheet. Ter afleiding doe ik enkele rondjes door de kamer met het leukste speeltje dat hij op dit moment heeft. De hondenflos, aan een voormalig springtouw vast gebonden, heeft een onweerstaanbare aantrekkingskracht op Bommel. Met zijn hondenverbeeldingskracht geeft hij het attribuut meerdere mogelijkheden. Er kan achtervolgd worden, er kan gevangen worden, er kan grommend een touwtrekwedstrijd tussen hond en baas mee worden uitgevochten en eenmaal gevangen vindt meestal stevige mishandeling van de prooi plaats. Omdat ik verder wil met schrijven werp ik Bommel een stukje pens toe en dat heeft gelukkig het gewenste resultaat. Het krachtig geurende (!) taaie weerbarstige materiaal biedt de provocatie waar mijn pup geen weerstand aan kan bieden. Grimmig wordt de pens vezel voor vezel los gescheurd en verorberd. Ik heb even rust.

De dierenarts geeft ons ook nog een doos mee, met cadeautjes en allerlei papieren erin, die naar zijn zeggen een soort honden-equivalent van de Blije Doos is. Ter informatie: Waar een baby geboren is, kan als cadeau een zogenaamde Blije Doos ontvangen worden. In menig gezin wordt dit koffertje vol speeltjes, folders en productenmonsters steevast hartelijk verwelkomd onder het motto “Dan is er hier in ieder geval één doos die blij is”.

De inhoud van de honden-blije-doos is echt heel interessant om door te nemen. Er zitten boekjes in over allerlei parasieten waar je alert op moet zijn, wormen en zo en vlooien en teken. Ter versterking van de bestrijdingsmotivatie staan plaatjes afgebeeld van allerlei kleine monstertjes die, als je niet uitkijkt, zich een weg dwars door je lichaam vreten. Maar ik kom ook leuke flyers tegen met adressen van hondenscholen voor het volgen van puppy-cursussen. Daar ga ik er zeker één van uitkiezen. Reaal is ook van de partij met een Spring-In-The-Air-Actie tot bevordering van het afsluiten van een honden-zorg-verzekering. Ik ben altijd een beetje huiverig voor nóg een verzekering, maar de term Spring-In-The-Air-Actie zal ik niet licht vergeten.

Er is voorlopig genoeg te doen!



« PreviousNext »